Tussen Kapel en Kliniek
Het verhaal van het Heilig Hart ziekenhuis

De erfgoedwaarde van een plek in verandering
In 2022 werd door het Heilig Hart ziekenhuis aan onderzoeksbureau Archivaria gevraagd om een bouwhistorische studie uit te voeren rond de historische vleugels van het huidige ziekenhuiscomplex. Deze vleugels staan reeds lange tijd deels leeg en het gedeelte dat nog in gebruik is, werd vanbinnen ooit in grote mate mismeesterd. Aangezien deze historische gebouwen vastgesteld zijn op de Inventaris van het Onroerend Erfgoed dient er dus een herwaardering van dit erfgoed te komen.
Vooraleer het geheel in ere kan hersteld worden is het echter belangrijk om te weten welke erfgoedwaarden er (nog) aanwezig zijn en welke elementen er exact waardevol zijn en welke slechts uit een latere verbouwing dateren. Om dit na te gaan werd eerst het historische verhaal van het gebouw achterhaald aan de hand van archief- en literatuuronderzoek. De nadruk hierbij lag op het bouwkundige aspect en niet op de gebruikers- en eigenaarsgeschiedenis. Vervolgens werd ter plaatse nagekeken welke elementen uit dit historische verhaal heden nog aanwezig zijn en waar de latere ingrepen hebben plaatsgevonden.
Als conclusie van dit archief- en veldwerk werd uiteindelijk een waardestelling opgemaakt waarbij per bouwkundig element al dan niet een erfgoedwaarde gekoppeld werd. Dit bouwhistorische rapport dient vervolgens als basis voor de opmaak van een nieuw ontwerp, waarbij het de bedoeling is dat elementen met erfgoedwaarde behouden en hersteld worden, en storende zaken weggewerkt worden zodat de erfgoedwaarde van de gebouwen opnieuw kan versterkt worden.


Van schuttersveld tot rustgesticht
De huidige ziekenhuissite bevindt zich in het historische stadscentrum waardoor kan verwacht worden dat hier reeds zeer vroeg bebouwing aanwezig geweest is. Historisch kaartmateriaal laat zien dat de site zich net buiten de 14de -eeuwse stadsomwalling bevindt, maar nooit bebouwd blijkt te zijn. De gronden werden in de plaats gebruikt als open oefenveld met schuttersdoelen voor de Kolveniersgilde, van waar later de straatnaam ‘Kolveniersvest’ is afgeleid. De 19de eeuw bracht in alle grote steden een grote wijziging in het stadsbeeld en -beleving met zich mee, dit gebeurde ook in zekere mate in Lier. Door de Industriële Revolutie verhuisde de bevolking massaal van het platteland naar de steden, waardoor de stadscentra een ware bevolkingsexplosie kenden. Het gevolg hiervan was dat quasi alle open buitenruimtes uit het ancien régime ook werden bebouwd zodat de stad een veel denser stadsweefsel kreeg. Ook beeldbepalende ruimtelijk-structurerende stedelijke infrastructuur verdween tijdens deze periode, zo werden de vlieten overdekt en werden de stadswallen afgebroken. In de nabijheid van het oude schuttersveld en de vrijgekomen gronden van de afgebroken stadswal werd uiteindelijk tussen 1868 en 1873 het Sint-Elisabethgasthuis opgetrokken op de zogenaamde “Veldekens”, naar ontwerp van de Mechelse bouwmeester Ch. Drossaert. De gasthuiszusters-Augustinessen zouden al sinds de 12de eeuw in Lier gevestigd geweest zijn.1 Het gasthuis langs de Mechelsestraat zou in 1987 volledig afgebroken worden voor de aanleg van parkeerplaatsen en nieuwe ziekenhuisgebouwen van het Heilig Hartziekenhuiscomplex.



Ten noordoosten van dit gasthuis bevonden er zich tegen de eeuwwisseling nog steeds grote open tuinen in het binnenblok, deze werden van de Kolveniersvest afgeschermd door een reeks woningen. In 1905 wordt op initiatief van Moeder-Overste Josepha van de Gasthuiszusters-Augustinessen beslist om deze gronden en enkele van deze huisjes aan te kopen om een nieuw “Rustgesticht” te bouwen. De bouwvallige woningen werden afgebroken en in 1906 werd hier het eerste Heilig-Hartgebouw van de gasthuiszusters-Augustinessen gebouwd. Het gebouw was oorspronkelijk zowel als rusthuis en kliniek opgevat, en werd ontworpen door provinciaal bouwmeester Edward Careels (1857-1933).2 Edward Careels is geen onbekende in de stad Lier en heeft verschillende ontwerpen van religieuze gebouwen op zijn naam staan.3 De eerste Heilige Mis werd in het gasthuis opgedragen op de eerste vrijdag van de maand juni in 1907. Toen werden ook de eerste zes zusters aangesteld om hier bejaarde vrouwen te verzorgen en zieken te verplegen.

Het oorspronkelijke gebouw betrof één langgerekte vleugel, met aan de achterzijde haaks daarop een kapel aangebouwd. In het oorspronkelijke bouwdossier zijn enkel tekeningen van de gevels aanwezig, bij gebrek aan grondplannen is het dus onduidelijk hoe de binnenindeling er exact uitzag en waar welke functie zich bevond. Wel zijn er in de literatuur verschillende omschrijvingen terug te vinden van het interieur. Zo is er te lezen dat de vleugel bestond uit een “dertigtal kamers, gelijkvloers en een eerste verdieping, benevens, keuken, spreekkamer en refter voor de Zusters. Er werd ook een operatiekamer aangebouwd, alsook een kleine kapel”.4; “Het rustgesticht van het H. Hart bood leefmogelijkheid voor 40 bejaarde dames. Bovendien werd voorzien in een operatiekwartier en verblijfsaccomodatie voor 12 patiënten. In 1907 hadden 3 operaties plaats, in 1908: 53”5; en “het oprichten van een complex bestaande uit: 1 operatiekamer, 8 patiëntenkamers, 1 zaal voor 4 patiënten en daarnaast een “rustgesticht” voor 40 dames”.6

Ter hoogte van de gesloopte huisjes langs de straat werd een doorgang naar de centrale inkom van de vleugel gemaakt, geflankeerd door een nieuwe (inmiddels gesloopte) portierswoning. Deze woning werd in dezelfde neogotische stijl opgetrokken als de ziekenhuisvleugel. De neogotiek werd tijdens deze periode typisch gebruikt voor katholieke gebouwen, denk ook aan kerken en scholen die in deze stijl opgetrokken werden. Hiermee werd namelijk via architectuur een statement gemaakt. De middeleeuwse gotiek werd met zijn monumentale kathedralen gezien als hoogtepunt van de kerkenbouw waardoor men tijdens de 19de-eeuwse katholieke revival deze stijl wilde hergebruiken als verwijzing naar deze hoogperiode van de Kerk. Dit was dus een zeer conservatieve manier van bouwen, passend bij een conservatief instituut. Meer progressieve, liberale, bouwheren daarentegen gingen eerder moderne stijlen gebruiken, zoals bijvoorbeeld de art nouveau.


Functionele groei in een historisch kader
Uit 23 maart 1912 dateert een bouwdossier, ingediend door Moeder-Overste Josepha, waarin een vergroting van de kapel werd aangevraagd. De plannen ontbreken, maar door vergelijking van de hedendaagse toestand met de oorspronkelijke plannen kan er van uitgegaan worden dat destijds het transept toegevoegd werd, de traptoren verhoogd werd en het koorvenster door een rozet vervangen werd. Een jaar later werd ook het interieur van de kapel aangepakt, waarbij ontwerptekeningen van het familieatelier Bressers voor neogotische wand-schilderingen in het archief teruggevonden werden.



Het aantal zieken en geopereerden nam toe, en zo ook het aantal zusters-verpleegsters dat steeg tot 16. In 1922 werd er daarom overgegaan tot het oprichten van de Kliniek, in een nieuwe noordvleugel van twee verdiepingen. Deze nieuwe vleugel sluit qua stijl volledig aan bij de gebouwen uit 1907. Mogelijk werd er omwille van de stijleenheid voor gekozen om nog in neogotiek te bouwen, maar deze stijl was in principe tijdens deze periode inmiddels vrij achterhaald aangezien de oude neo-stijlen na WOI niet meer in de mode waren. Het interbellum wordt gekenmerkt door moderne strakke stijlen als de art deco en het modernisme. Dat hier toch nog zo laat neogotiek gebruikt wordt onderstreept opnieuw het conservatieve karakter van de zusters Augustinessen. Het ontwerp werd opnieuw gemaakt door een Careels, maar ditmaal Gustaaf Careels (1896-1975). Hij was de zoon van Edward Careels en zou zijn vader vanaf 1930 opvolgen als provinciaal bouwmeester van het arrondissement Mechelen. In 1932 werd de kliniek al door een ophoging met een derde verdieping vergroot. Toch zou er nog steeds een chronische overbezetting geweest zijn.

Hoewel hierover geen archiefmateriaal is teruggevonden, kreeg ook de oorspronkelijke vleugel een kleine uitbreiding mee. Deze moet tussen 1922 en 1932 tot stand gekomen zijn. Opnieuw werd hierbij dezelfde neogotische stijl gebruikt zodat niet kan afgelezen worden dat dit gedeelte eigenlijk niet tot de oorspronkelijke toestand behoort.

Na WOII volgden er in sneltempo meerdere uitbreidingen, waarbij steeds grootschaligere vleugels in een moderne uitwerking aan het bestaande complex gekoppeld werden. Deze ontwikkeling gebeurde vooral onder het O.C.M.W. die de aanvankelijke eigenaars waren, het is pas in een laat stadium dat de gasthuiszusters dit overnamen. De uitbreidingen richtten zich steeds verder naar het zuidwesten toe, waarbij uiteindelijk als sluitstuk in de jaren ’80 het oorspronkelijke gasthuis werd afgebroken om plaats te maken voor de monumentale ziekenhuisvleugels met grote parking langs de Mechelsestraat. De oorspronkelijke vleugels waren tegen dan sterk verouderd en waren zowel qua uitrusting als indeling niet meer bruikbaar binnen hedendaagse ziekenhuiswerking. Hierdoor verschoof het zwaartepunt van de activiteiten van het ziekenhuis naar de zijde van de Mechelsestraat en geraakten de historische vleugels in onbruik, met leegstand, ingrijpende interieurverbouwingen en zelfs gedeeltelijke afbraak tot gevolg.
De impact van zorgnoden op historische architectuur
Bij een bezoek aan de site kan vandaag aan de hand van het contrast tussen de verfijnde neogotische stijl tegenover de logge plompe modernistische vleugels nog duidelijk afgelezen worden waar de historische bebouwing zich bevindt en welke delen een latere toevoeging zijn. Bij de oorspronkelijke vleugel bleef het beeldbepalende inkomvolume goed bewaard, maar het hele gedeelte links daarvan werd in de jaren ’50 gesloopt en vervangen door een modernistisch volume dat dezelfde contouren volgt. De kapel bleef ook goed bewaard, maar is inmiddels ingekapseld tussen latere aanbouwen waardoor het zijn vrijstaande karakter deels verloren is geraakt. Tegen de kopse gevel van de ziekenhuisvleugel uit 1922 werd een grote modernistische blok gebouwd, waardoor deze historische vleugel letterlijk in de schaduw kwam te staan.





Zoals verwacht kan worden bij ziekenhuisarchitectuur was het interieur uiterst sober ingericht. De binnenruimtes moesten vooral functioneel zijn en zich lenen voor gemakkelijk hygiënisch onderhoud. Uitzonderingen hierbij zijn de inrichting van de inkomzone en de kapel, waar men het prestigieuze karakter onderstreepte door architecturale en artistieke opwaardering.


Vanbinnen blijkt de fraaie kapel inmiddels jammer genoeg volledig mismeesterd. Aangezien het religieuze aspect binnen het ziekenhuis wegviel na WOII was er geen nood meer aan een kapel en werd deze door middel van onrespectvolle verbouwingen ingrijpend herbestemd. De hoge ruimte werd door een nieuwe vloerplaat in twee niveaus opgedeeld, waarbij de begane grond ingericht werd als banale kleedkamers en bovenaan de cafetaria voor het personeel voorzien werd. Op de bovenverdieping is het historische interieur van de kapel wel nog duidelijk afleesbaar aan de decoratieve glas-in-lood ramen en de houten gewelven met neogotische schilderingen. Op het gelijkvloers werden echter alle wandschilderingen bezet met wandtegels en werd de voorheen open ruimte met binnenwandjes opgedeeld.
Achter het verlaagde plafond zijn de restanten van de waardevolle wandschilderingen nog te zien, die op een ongegeneerde wijze werden doorboord door ventilatiekanalen en de nieuwe vloerplaat. Er wordt van uitgegaan dat de rest van de wandschilderingen nog aanwezig is achter de huidige verflagen van de refter. Bij de verbouwing verdween ook het bijhorende neogotische meubilair, zoals het indrukwekkende centrale altaar. Het enige overlevende meubelstuk uit de kapel betreft een doopvont, dat inmiddels naar de inkomzone werd verplaatst. Aangezien dopen doorgaans met een parochiekerk geassocieerd wordt zou intuïtief kunnen gedacht worden dat dit doopvont een recuperatie element uit een kerk zou moeten zijn dat naar hier verplaatst werd. Maar in werkelijkheid vonden er ook bevallingen plaats in het gasthuis en in geval van nood moest er onmiddellijk gedoopt kunnen worden, waardoor een doopvont hier absoluut noodzakelijk was.








De gangen met ziekenkamers die de rest van de vleugels innemen hebben een zeer gestandaardiseerde uitwerking. De originele elementen, zoals het binnen- en buitenschrijnwerk, de trappen en ramen zijn nog quasi volledig aanwezig. Alle gangen en kamers zijn hetzelfde ingericht, met geprefabriceerde materialen die men destijds uit een catalogus kon kiezen. De nadruk lag in deze gebouwtypologie op hygiëne. Zo waren alle vloeren afgewerkt met terrazzo en waren de plinten van de gangmuren van faïencetegels voorzien, beide materialen die zich gemakkelijk laten schoonmaken. De plafonds hadden afgeronde hoeken omdat hierbij minder stof en vuil kan hechten dan bij rechte hoeken. Ook zijn er veelvuldig ventilatieopeningen aanwezig omdat men een goede ventilatie goed en gezond vond.


Bewaren wat waardevol is, herstellen wat verloren ging
Zoals reeds in de Inventaris vastgesteld werd hebben de vleugels nog steeds een uitgesproken historische, architecturale en sociaal-culturele betekenis. Centraal in die waardering staan de neogotische ziekenhuisvleugel en de bijhorende kapel uit het begin van de twintigste eeuw, die samen de historische kern van de ziekenhuissite vormen. Elementen zoals de verfijnde gevelopbouw in baksteen met natuurstenen speklagen, de figuratieve glas-in-loodramen, het oorspronkelijke neogotische binnenschrijnwerk en de bewaarde gewelfschilderingen zijn nog gaaf bewaarde erfgoedelementen met een hoge erfgoedwaarde. Zij getuigen van het vakmanschap en de zorg waarmee religieus geïnspireerde zorgarchitectuur in die periode werd gerealiseerd en maken het geheel herkenbaar als representatief voor zijn bouwtijd. Hoewel het historische gedeelte vandaag deels wordt ingesloten (en plaatselijk wordt ‘versmacht’) door latere uitbreidingen, blijft het herkenbaar als een afzonderlijke oude kern binnen de algemene ziekenhuissite.
De sociaal-culturele waarde vloeit voort uit de lange en ononderbroken geschiedenis van zorgverlening op deze locatie. Al meer dan een eeuw is het Heilig Hart ziekenhuis verbonden met geneeskundige zorg, religieuze aanwezigheid en maatschappelijke betrokkenheid. Die band met de gasthuiszusters-augustinessen en de vele herinneringen van personeel, patiënten en buurtbewoners maken het complex tot een drager van zowel materieel als immaterieel erfgoed. Tegelijkertijd tonen eerdere ingrepen, zoals het vervangen van historisch schrijnwerk door standaardprofielen, het mismeesteren van het waardevolle kapelinterieur en de toevoeging van volumineuze nieuwbouw die de visuele samenhang verstoort, aan dat de erfgoedwaarde kwetsbaar is.
Het is duidelijk dat behoud van deze site afhangt van het zorgvuldig koesteren van de waardevolle erfgoedelementen, zoals onder meer de kapel met haar kunstzinnige glasramen, het fraaie gevelontwerp van het inkomvolume en de oorspronkelijke ruimtelijke structuur, terwijl storende toevoegingen in de mate van het mogelijke dienen worden teruggedrongen of aangepast. Alleen zo kan het complex zijn dubbele rol behouden: een functioneel ziekenhuis én een waardevol onderdeel van het Lierse erfgoed.
- Het oorspronkelijke Sint-Elisabethgasthuis bevond zich tot 1873 aan de noordzijde van de Berlaarsestraat, net binnen de eerste stadsomwalling vlakbij de Leuvense binnenpoort. Zie: SUENENS & DE STAERCKE 2005, p. 33-66, 301 en verder.
- SUENENS & DE STAERCKE 2005, o.a. p. 284-300 en 311-314.
- https://inventaris.onroerenderfgoed.be/personen/660 (laatst geraadpleegd 4 mei 2022)
- “Ontstaan en uitbreiding van het Gesticht van het H. Hart te Lier”, KADOC, Archief Gasthuiszusters-Augustinessen Lier, BE/942855/1700, Beeldarchief Gemeenschappen, map 3.
- ACHT EEUWEN GASTHUISZUSTERS, p. 15.
- “Toespraak 75 jaar H. Hartziekenhuis en inwijding van de nieuwbouw door Zr. M.VM Van Herck, alg. verantwoordelijke Congregatie van de Gasthuiszusters Lier”, KADOC, Archief Gasthuiszusters-Augustinessen Lier, BE/942855/1941/237.
SUENENS & DE STAERCKE 2005
SUENENS K. & DE STAERCKE A., Eén van hart en één van ziel. Geschiedenis van de Gasthuiszusters-Augustinessen van Lier, 1130-2005, Lier-Leuven, 2005, 512 p.
ACHT EEUWEN GASTHUISZUSTERS
Coördinatiegroep Acht Eeuwen Gasthuiszusters, Acht eeuwen gasthuiszusters in Lier, Lier, [1986], 32 p.
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/personen/660 (laatst geraadpleegd 4 mei 2022)
KADOC, Archief Gasthuiszusters-Augustinessen Lier, BE/942855/1700 en BE/942855/1941/237.

