Fascinerend literair archief duikt op
Lierse rederijkers huldigen kunstschilder Cornelis Cels (1809)

Afbeelding bovenaan artikel: portret van Cornelis Cels door Willem Hendrik Schmidt.
Recent is via een bekende website van tweedehandse artikelen het literaire archief opgedoken van de in Lier geboren portret- en historieschilder Cornelis Cels (Lier, 10 juni 1778 - Brussel, 3 maart 1859). Het werd jaren geleden door een fotograaf uit de Westhoek aangekocht op een vlooienmarkt in Brussel. Hij bood het op zijn beurt te koop aan. De stukken, zowel gedrukte als in handschrift gebleven gedichten en documenten, zitten in een dubbelgevouwen blad waarop in de hand van de kunstenaar geschreven staat: “Pièces fugitives, vers, &a de ma composition et d’autres en flamand, français & italien”. Op het blad is verder een kleine schets in potlood van de hand van Cels getekend. De gedichten zijn van de hand van de kunstschilder zelf die over enig literair talent beschikte, of van familieleden en vrienden. Binnen dit bestek zijn vooral de, meestal anonieme, lofdichten op Cels van belang, die door Lierse rederijkers werden geschreven, onder meer naar aanleiding van de ophanging in 1809 van Cels’ schilderij De onthoofding van Joannes De Doper, in de Sint-Gummaruskerk in Lier.

Nieuwe gegevens over het leven van de kunstenaar
Dankzij het literaire archief en ook via door de digitalisering toegankelijk geworden documenten ontdekten we eerst en vooral meer details over het leven van Cornelis Cels. Zoals bekend werd Cornelis Cels op 10 juni 1778 in Lier geboren als oudste zoon van de rijke koopman Franciscus Martinus Cels (Antwerpen, 3 november 1854 – Antwerpen, 30 september 1833) en Joanna Clara Antonia Josepha Mens (Antwerpen, 27 januari 1757 – Antwerpen, 14 januari 1820). Zijn vader was aanvankelijk zeepzieder en brouwer maar volgde in 1788 zijn vader Martinus Cels (1710-1788) op aan het hoofd van de suikerraffinaderij “Cels, Aerts et Compagnie” (1766-1806).1 Franciscus Martinus Cels was eerst schepen en vanaf 1796 burgemeester van Lier. Later zou hij met zijn gezin naar zijn geboortestad Antwerpen terugkeren om daar verder handel te drijven.
De jonge Cornelis wilde leren tekenen.2 Zijn vader stemde daarin toe. Hij ging tussen 1789 en 1792 in Antwerpen in de leer bij beeldhouwer Joannes Baptista Engelbertus (Anglebert) Pompe (Antwerpen, 1743-1810), zoon van de bekende beeldhouwer van barokke kerkmeubelen Walter Pompe (Lith, 1703 – Antwerpen, 1777).3 Hij verbleef er bij familie. Op zijn veertiende keerde hij naar Lier terug en ging, naar eigen zeggen louter uit liefhebberij, in de leer bij meubel- en kunstschilder Pieter Jozef Denis (Lier, 1750-1814) die van 1798 tot aan zijn dood in 1814 de eerste directeur van de Lierse tekenacademie zou worden.4
Volgens Cels, in zijn door hemzelf ingevulde enquêteformulier5 voor Joannes Immerzeels (Dordrecht, 1776 – Amsterdam, 1841) Levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters uit 1842, was Denis van vele markten thuis en muntte hij uit in theaterperspectief. Van hem bevinden zich in de raadzaal van het stadhuis van Lier vier grisailles uit 1775 die de vier jaargetijden voorstellen. In de kerk van Onze-Lieve-Vrouw in Gestel-Meerhout hangt Denis’ doek Salomé draagt het hoofd van Johannes op een schotel.
Pierre François Jacobs
Gaandeweg reikten Cels’ artistieke ambities verder. In zaken had hij geen zin. Naar verluidt besliste hij om professioneel kunstschilder te worden, toen hij in de refter van het Alexianenklooster in Lier werk van de toen befaamde propagandist van het neoclassicisme Andreas Cornelius Lens (Antwerpen, 1739 – Brussel, 1822) zag hangen. Het ging om taferelen uit het Nieuwe Testament. Zijn ouders probeerden hem hiervan te weerhouden maar uiteindelijk stemden zij erin toe dat hun zoon van 1795 tot 1800 in Brussel bij Lens en aan de Academie bij Pierre Joseph Célestin François (Namen, 1759 – Brussel, 1851) in de leer zou gaan. In 1797 won hij aan de Academie de eerste prijs voor tekenen naar het leven. In het literaire archief zit een ongedateerd gedicht van Cels naar aanleiding van een viering van Lens.

Zowel bij Lens als in de Academie ontmoette Cels de jong gestorven kunstschilder Pierre François Jacobs (Brussel, 1780 – Rome, 1808), twee jaar jonger dan hijzelf, met wie hij bevriend geraakte. De Lierenaar bewaarde in zijn literaire archief een handschriftelijk lofdichtje van de hand van Jacobs, gedateerd 15 september 1798, dat als titel draagt Jacops à son ami Cels. Mogelijk werd het geschreven naar aanleiding van het portret dat Cels van zijn vriend had geschilderd. Het bevindt zich in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België.
Het lofdicht luidt in typisch neoclassicistische stijl:
Noble et digne nourisson de Minerve
C’est pour la Gloire qu’elle te préserve,
Vous qui par Terpsichore est inspiré
Et par qui Apollon est si bien reveré,
Reçois de moi l’aveu le plus sincère
D’une amitié attachez (sic) et digne d’un frère,
Juste prix d’un caractère aimable
Dont les beaux sentiments sont invariable (sic).

Maar Cels wilde meer. In september 1800 ging hij met de toestemming van zijn ouders voor enkele maanden naar Parijs waar hij onderricht kreeg van Bruggeling Joseph Benoit Suvée (Brugge, 3 januari 1743 – Rome, 9 februari 1807) die net als Andreas Lens het neoclassicisme propageerde. Daarbij zou evenwel niet alleen Cornelis’ plan om kunstschilder te worden een rol hebben gespeeld. In een gedicht, in 1815 geschreven door een familielid of een vriend naar aanleiding van Cels’ huwelijk, staat dat ook een liefdeskwestie zou hebben meegespeeld. Cornelis zou zijn omgegaan met een meisje dat niet door zijn ouders gewenst was. Daarom kwam studeren in Parijs vader en moeder goed uit:
Maer deze lief wirdt uijtgeblust
Al door sijn ouders raedt
Het welk sijn gemoed ontrust
Waarom hij rijsen gaet
En trock recht op de Stad Parijs.
Maar daar werd hij evengoed door Parisiennes achterna gezeten:
Die fransche jouffers met geweldt
Hongen hem op het lijf
’t Welk hem in nieuw ambrasse steldt
Terwijl daer quam gekeijf
Want ider een Cels hebben wauw
En wilde sijn de schildersvrouw.6
Feit of fictie? Een andere, dit keer gedrukte bron, hield het erbij dat Cels zich in Parijs alleen aan de schilderkunst had gewijd:
Van Brabands hoofdstad dreéf u d’iver nae Parys:
Zy, die uw’ jeugd beschermt, verzeld’ u op de rys.
D’onzichtb’re deugdgodin bewaerde uwe zeéden,
En deéd u maer alleen de schoôl der konst betreéden.7
Naar Italië
Al in 1801 vertrok Cels op aansturen van Suvée en op kosten van zijn ouders naar Rome waar hij tot 1807 zou blijven. Hij liet een gedicht na, geschreven kort voor zijn vertrek uit Parijs met als titel Romance faite et chantée à la dernière fête avant mon voijage d’ Italie. Daarin richt hij zich met dankbaarheid en affectie tot zijn maître si sage. Bedoelde hij Suvée?8
In Rome ontmoette Cels de Brugse kunstschilder Andreas De Muynck (Brugge, 1737 – Rome, 1813), die een oude compagnon van Suvée was geweest en die directeur van het gasthuis van San Giuliano dei Fiamminghi (Sint-Juliaan-der-Vlamingen) was geworden, en de Antwerpenaar Simon Joseph Denis (Antwerpen, 1755 – Napels, 1813), een jaargenoot en vriend van de Antwerpse kunstschilder Balthazar Ommeganck (Antwerpen, 1755-1826), die later door Cels geportretteerd zou worden. Beiden gaven hem wat onderricht. Kort daarop kwam ook Suvée in Rome toe om er directeur van de Franse academie te worden. Verder raakte Cels bevriend met de Italiaanse neoclassicistische beeldhouwer en kunstschilder Antonio Canova (Possagno, 1757 – Venetië, 1822).9
Cels bestudeerde in Italië de grote modellen en tekende en schilderde naar het leven. Eind 1801, begin 1802 werkte hij zijn neoclassicistische schilderij Cincinnatus vertrekt om het ambt van consul waar te nemen10 af en stuurde het naar de kunstacademie van Gent waar hij er tijdens het concours van 1802 de gouden medaille mee won. De penning had een waarde van dertig dukaten. Cels was tijdens de prijsuitreiking niet aanwezig. Hij ontving zijn medaille via een tussenpersoon op 18 maart 1802.11 Verder maakte Cornelis in 1803 vanuit Rome een studiereis naar Firenze en in 1805 naar Napels. Gaandeweg raakte hij in de ban van het Quattrocento, de schilderkunst tijdens de Italiaanse renaissance, en maakte kopieën naar Fra Bartolommeo, Domenico Ghirlandaio en Andrea del Sarto. Hij begon uitgezuiverde vormen na te streven die zijn latere kunstwerken zouden karakteriseren. Gaandeweg nam hij afstand van het neoclassicisme.12
Scatologisch toneelstuk
Intrigerend is dat Cels een door hemzelf overgepende kopie van een Italiaans scatologisch toneelstuk La Merdiade. Dramma in zijn literaire archief bewaarde. Het stuk is niet gedateerd maar moet dateren uit zijn Italiaanse jaren. Over een andere kopie van datzelfde stuk wordt melding gemaakt op het internet. Daar wordt het gedateerd op het einde van de achttiende eeuw.13 Met scatologie wordt in de literatuur een vorm van grof realisme bedoeld, vaak met seksuele of schunnige connotaties en expliciete verwijzingen naar ontlasting, urine of andere lichaamsfuncties. In de context van het neoclassicisme verwijst scatologie naar literaire of artistieke voorstellingen over uitwerpselen en urine of andere excrementen. Hoewel het neoclassicisme waarde hechtte aan orde, rede en de ideale schoonheid, kwam ook scatologie voor, vaak om humoristische en satirische redenen of als een vorm van sociale kritiek. La Merdiade gaat over prins Stercuzio die verliefd is op prinses Cloacina, koningin van Cachilastra. Als een teken van zijn affectie vraagt zij hem de mooiste van zijn pispotten als cadeau. Nam Cels een rol op in dit scabreuze stuk? Zeker lijkt wel dat hij, naast de ernst van zijn artistieke opleiding, ook in Italië ten volle van het uitgaansleven heeft genoten.

In 1806-1807 schilderde Cels in Rome de Afneming van het Kruis, dat tentoongesteld werd in het Pantheon. De Italiaanse gespecialiseerde pers was lovend.14 De kritiek was zo positief dat de Lierenaar benoemd werd tot leraar en medelid van de prestigieuze Accademia di San Luca in Rome, een kunstacademie die onder het gezag stond van de paus. Het schilderij zelf werd door Cels naar Antwerpen verzonden en op 15 september 1807 als schenking opgehangen in het hoogkoor van de Sint-Pauluskerk ter vervanging van een werk van Rubens dat door de Fransen was weggevoerd. Dit resulteerde in een anoniem, tweebladig lofdicht in handschrift door een Antwerpse rederijker met als titel: Lof-krans voor den heer Cels ter oorzake des uijtmuntende schilderij, verbeeldende de afdoening van den cruijce ons Heijlands, waar mede hij zoo edelmoedig St-Pauwels kerke binnen Antwerpen begiftigd heeft. 15en des gerst-maand 1807. Nog uit 1807 dateert zijn schilderij De Visitatie of Het bezoek van de zwangere heilige maagd Maria aan haar nicht Elisabeth dat door zijn ouders aan de Augustijnenkerk in Antwerpen geschonken werd.
Terug naar Vlaanderen (1807)
Cels reisde zijn beide schilderijen achterna want via Parijs kwam hij op 5 oktober 1807 weer thuis in Antwerpen aan. Het weerzien met de familie en de vrienden was hartelijk. Deze blijde gebeurtenis leverde een negental handgeschreven gelegenheidsgedichten van vrienden en familieleden op naar aanleiding van zijn feestelijk gevierde thuiskomst, onder meer van de hand van zijn neven, de handelaars Jan (°Antwerpen, 1778) en Josse (°Antwerpen, 1783) Van Geetruyen, zonen van zijn tante Catharina Cels en zijn oom Josse Van Geetruyen sr., en boekhandelaar Hendrik Peter Verdussen, (Antwerpen, 1794-1872), zoon van zijn tante Aldegonde Cels en zijn oom, de bekende Antwerpse boekhandelaar Petrus Antonius Verdussen.15 Ook de zus van Cornelis, Maria Theresia Cels (Lier, 1779 – Leuven, 1859), bood haar broer een feest aan. Zij was getrouwd met Joannes Baptist Dochez , advocaat, eigenaar en deken van de Orde van Advocaten van Antwerpen.
Ook in Lier werd naar aanleiding van Cornelis’ terugkeer een anoniem gelegenheidsgedicht gedrukt bij drukker Jacobus Henricus Le Tellier (Lier, 1748-1809) met als titel Minervas schoon-schitterendde lof loog: om het hoofd gestrengelt van den weldenkenden heer d’heer Cornelis Cels, konstschilder en inboorling der stad Lier in Braband; ter verwelkooming zyner te-rug-rys van d’hoofdstad der Christen-wereld, Roomen. Nog in Lier werd hem door onderwijzer Michiels Cornelis Groenendael (1785-1835) aanbevolen als leerling. Cels, die zich na zijn terugkeer in Antwerpen als kunstschilder vestigde, leerde hem de knepen van het vak.
Cels in Lier gevierd (april 1809)
Op 12 april 1809 werd in het hoogkoor van de Sint-Gummaruskerk in Lier Cels’ schilderij De onthoofding van Johannes de Doper plechtig opgehangen. Het ging om een schenking van de kunstschilder aan zijn geboortestad. Het doek was bestemd voor het nu verdwenen hoogaltaar omdat het schilderij van Jacob Jordaens dat daarin hing door de Fransen opgeëist was. Dat werk hangt nu in de kathedraal van Bordeaux. Het altaar was dus leeg.16
Naar aanleiding van de plaatsing van het schilderij werd Cels plechtig ingehaald – hij kreeg naar de mode van de tijd een lauwerkrans op het hoofd gedrukt - en uitgebreid gevierd. In het literaire archief van de kunstschilder getuigen acht gedichten, één gedrukt en de andere in handschrift, van dit feest waarover tot nog toe niets bekend was. Het initiatief lijkt te zijn uitgegaan van de Lierse rederijkerskamer De Groeiende Boom17 waarvan de naam op een van de stukken vermeld staat. Dat lijkt wat in tegenspraak met de getuigenis van Jan Frans Willems dat de twee Lierse rederijkerskamers De Jenette en De Groeiende Boom aan het zieltogen waren toen hij in 1809 uit Lier vertrok.18
Uit de acht documenten kan afgeleid worden dat De Groeiende Boom aan haar dichtende leden de opdracht had gegeven om een lofdicht op Cels te schrijven. Al deze gedichten zijn anoniem. Slechts één document vermeldt een naam, met name deze van de Lierse stadsonderwijzer Cornelis Alexis Bauwens (Lier, 1748-1830) die jaarschriften opmaakte met het oog op de viering. Deze prijkten op voor de gelegenheid opgetrokken piramiden en ook aan de gevel van de Lierse Academie waar Cels zijn eerste onderricht had gekregen. Daarnaast “verscheen de buijten-gilde Sebastiani van het Hagenbroek te peerd, voorgereden door twee nimphen in ’t wit gekleed” van wie de eerste in een schild het jaarschrift De liefde-pligt Sebastiani voor den lofrijken Cels voerde.
Cels’ literaire archief bevat volgende stukken in verband met de viering:
- De Liersche teeken-schoôl aen d’heer Cornelius Cels konst- ende historie-schilder, professor van het genoôtschap van den H. Lucas binnen Roomen, inboôrling der Stad Lier; ter gelegentheyd van syn konst- en schilderstuk, verbeéldende de onthoofding van den H. Joannes, heden den 12ste april 1809, plechtiglyk tot verçieringe der collegiaele kerke van Lier ontfangen, ende gestelt in den autaer van de hooge choor, Lier, J.H. Le Tellier, 1809, 8 blz. Dit gelegenheidsgedicht werd aan Cels geschonken door zijn oud-leraar Pieter Jozef Denis en diens leerlingen die allen bij naam worden vermeld. Het gaat om een tot nog toe onbekend Liers drukwerk.
- Handgeschreven gelegenheidsgedicht Op de onthoofding van Joannes Den Dooper; altaerstuk voor de groote kerk tot Lier, geschilderd door des zelfs inbooreling d’heer Sels, anoniem, 1 blz.
- Handgeschreven gelegenheidsgedicht Lofgalm, anoniem, 3 blz.
- Handgeschreven gelegenheidsgedicht Gezang. Vivat! Laet triumphgeschallen…, anoniem, 3 blz.
- Handgeschreven gelegenheidsgedicht Ik stel Cels nu hierby de achtbaerste mannen…, anoniem, 1 blz.
- Handgeschreven gelegenheidsgedicht, Lofzang, anoniem, 3 blz.
- Handgeschreven jaarschriften, anoniem, 2 blz.
- Cornelis A. Bauwens, handgeschreven jaarschriften, 5 blz.


Stadsonderwijzer Cornelis Bauwens (soms ook Bouwens) moet een belangrijke rol hebben gespeeld in de viering van Cels. Achteraan zijn jaarschriften schreef hij volgend versje:
Den elfsten van april, ’t jaer agttien-honderd-negen;
De lucht was overdekt door stormen, sneeuw en regen;
Maer als den twaelfsten door Auroor wierd aengevoert
De lucht wierd opgeklaert en scheen niet meer ontroert!
De held’re middagzon schoot luijsterrijke straelen
Den stond, op welken Lier, door Cels, moest zeegepraelen!
Deez’ schoonen dag, gevolgt door even schoonen nagt,
Heeft juijgend onz’ triumph, met glans, ten eijnd gebragt!
Den dertiensten heeft zig den hemel weer ontslooten,
En onzen Ceres-kloot met regens overgooten!
Een teeken, dat de konst, door waere deugd geleijd,
Door ’t opperwezen werd met zeegens overspreijd!
Bauwens was in die tijd de meest gewaardeerde dichter uit de streek. Hij leende de jonge Jan Frans Willems de werken uit van een twintigtal Hollandse dichters, onder wie deze van Feitema die hij bewonderde. Hij schreef zelf enkele treur- en blijspelen.19
Twee jaar na de viering, op 29 januari 1811, kwam Cels met de kerkfabriek van Sint-Gummarus overeen dat, mochten de Fransen opnieuw het bevel geven dat de kerken moesten sluiten, het schilderij aan hem of zijn erfopvolgers teruggegeven zou worden.20 Zo ver is het niet gekomen. Het schilderij is nog altijd aanwezig in de Sint-Gummaruskerk.
Lier kruipt weer in de pen (eind 1809)
Al op 29 juli 1808, dus nog voor de viering in Lier, had Cornelis Cels contact opgenomen met de kerkfabriek van de Sint-Salvatorkerk in Brugge met het voorstel dat hij een schilderij zou leveren voor het altaar van de heilige Barbara of de heilige Job in ruil voor een schilderij, de marteldood van een karmeliet voorstellend, dat hij had zien hangen in een kleine kapel.21 Hij was op dat moment al bezig met De onthoofding van Johannes voor de Sint-Gummaruskerk in Lier. Het was duidelijk zijn bedoeling om in Vlaanderen meer naambekendheid te verwerven na zijn terugkeer uit Italië. Cels liet in zijn brief weten dat hij tijdens zijn verblijf in Rome in contact was geweest met de Bruggelingen Suvée en De Muynck. De kerkfabriek van Sint-Salvator ging akkoord. Zij liet Cels op 21 augustus 1808 weten dat zij een schilderij, de marteldood van de heilige Barbara voorstellend, verlangde. Cels liet de kerkfabriek op 22 april 1809, dat was dus amper tien dagen na de ophanging van De onthoofding van Johannes de Doper in Lier, weten dat hij binnenkort aan het schilderij voor Brugge zou beginnen. Op 4 oktober 1809 was het schilderij nagenoeg klaar. Cels kwam uiteindelijk op 4 december 1809 met de barge in Brugge aan waar het schilderij de volgende dag, op 5 december, opgesteld werd.22 Het is allicht geen toeval dat zijn literaire archief een ongedateerde nieuwjaarswens bevat van de hand van de Brugse rederijker Augustinus Baude (Brugge, 1734-1816).23 Mogelijk dateert het van eind december 1809.

Dat Cels tussen 1807 en 1809 vier schilderijen leverde aan de Sint-Pauluskerk en de Sint-Augustinuskerk in Antwerpen, aan de Sint-Gummaruskerk in Lier en aan de Sint-Salvatorkerk in Brugge, bewoog Lierse vrienden eind 1809 tot het (laten) schrijven van een nieuw lofdicht voor Cels, dit keer gedrukt bij de weduwe Le Tellier, met als titel De lofbaere schilderkonst: luysterig afgebeéld in de naerbeschreévene vier autaurstukken: aller pryswaerdigst uytgevrogt door den zeer achtbaeren heer d’heer Cornelius Cels, inboorling der Stad Lier in Braband. Ter gelegentheyd, dat hoogst-genaemde heer met zyn schilderstuk, De Martel-dood der H. Barbara, de Stad Brugge vereerde. Cels bewaarde in zijn literaire archief ook het oorspronkelijke handschrift van hetzelfde, anonieme, gedicht.
Huwelijksgedichten (1815)
Cels hield zijn atelier in Antwerpen tot in 1815. Hiervoor huurde hij vanaf 1812 een ruimte op de eerste verdieping van het Vleeshuis.24 Hij engageerde zich in het plaatselijke kunstenaarsmilieu en werd bestuurslid van de in 1811 heropgerichte Société d’encouragement des Beaux-Arts die vanaf 1813 kunsttentoonstellingen organiseerde.25 In 1815 trok hij naar Brussel waar hij enige tijd inwoonde bij het echtpaar Jean Augustin Gommaire Becq (Lier, 1767 – Brussel, 1827) en Julie Alexandrine Vanden Branden dat afkomstig was van Lier. Cels trouwde op 10 mei 1815 in Brussel met Angélique Verbrugghen (of Verbruggen).

Ze was op 29 september 1789 geboren in Lede bij Aalst maar ze woonde met haar ouders in Brussel. Ze was een goede partij en knap bovendien. Ze was rentenierster en bezat gronden. Naar aanleiding van het huwelijk werden door familie en vrienden huwelijksgedichten geschreven:
- Josse Bruno Cels, Vers pour le marriage de Corneille Cels & d’ Angélique Verbruggen le 10 mai 1815
Josse Bruno Cels was de jongere broer van Cornelis. Hij werd geboren in Lier op 8 oktober 1794 en overleed in Namen op 10 maart 1853. Hij huwde op 26 maart 1823 in Antwerpen met Susanna Maria Antonia Beeckmans (1786-1854). Hij was op dat moment commissionaris. - Anoniem, handgeschreven gedicht, Liedeken gesongen op de trouw feeste van d’heer Cornelius Cels ende jouffrouw Angelique Verbruggen den 10 meij 1815 binnen Brussel
- Judo, handgeschreven gedicht, A ma belle soeur Angélique. Logogriphe
Vermoedelijk is Judo hier opnieuw te identificeren als Josse Bruno Cels.26
Het echtpaar Cels-Verbrugghen kreeg vijf kinderen: Jeanne Marie (Den Haag, 1818 – Parijs, 1881), Jean Michel (Den Haag, 1819 – Brussel, 1894), die net als zijn vader kunstschilder werd en door hem opgeleid en geportretteerd werd,27 Emmanuel (Doornik, 1821 – Brussel, 1894), die architect werd, Marie Raphaele (Antwerpen, 1824 – Leuven, 1876) en Josse Bruno Joseph (Doornik, 1824 – Brussel, 1906). Josse junior werd kunstschilder, industrieel, kunstcriticus en publicist. Hij bewaarde het literaire archief van zijn vader en voegde er enkele eigen documenten aan toe.
In Brussel schilderde Cornelis Cels portretten, onder meer van generaal George Cooke (1766-1837) en kolonel sir John Elley (1764-1839) die aan de slag van Waterloo hadden deelgenomen, en van baron Godert Van der Cappellen (1778-1848) en zijn echtgenote barones Jacoba Elisabeth van Tuyll van Serooskerken (1781-1861). Kort na hun huwelijk verhuisden Cornelis en Angélique naar Den Haag waar Cornelis zich vestigde als portretschilder. Hij werd gesteund door het Hof van koning Willem I en schilderde uitmuntende realistische portretten van leden van de koninklijke familie en tal van prominenten.28 Dat was ook het geval voor Otto Paulus Groeninx van Zoelen (Rotterdam, 1767 – Den Haag, 1848)29 en zijn echtgenote Catharina Theodora Van Staveren (Rotterdam, 1770 – Den Haag, 1826) over wie Cels een fijnzinnig gedichtje achterliet:
Ik had op ’t huis ten Donck d’heer
Groeninx aftemaalen
Alsook zijn ed’le vrouw, hoe ligt had
Konnen dwaalen
Den toets van mijn penseel, dat moet
Een ieder af,
Die ziet hoe mild natuur hun schoone trekken gaf
Geprent op hun gelaat; dog ’t geen veel
Meer moet treffen
Is beyd’ hun beste hart; dat kon ik niet beseffen
Nog stellen op den doek, door myne schilderkonst
Dus druk ik het op papier. Vraeg voorts
Geduld en jonst.
In oktober 1820 werd Cels benoemd tot leraar tekenen en directeur van de kunstacademie van Doornik. Louis Gallait (Doornik, 1810 – Schaarbeek, 1887) was een van zijn leerlingen. In augustus 1827 legde Cels zijn ambt neer en vestigde zich als portretschilder in Brussel. In oktober van dat jaar erfden Cornelis en Angélique als enige beneficiaire erfgenamen 372 gulden van hun kennis Jean Augustin Gommaire Becq. De papieren hierover zitten tussen het literaire archief.
Op 8 april 1834 overleed Angélique Verbrugghen in Brussel. Op 13 november 1835 hertrouwde Cornelis met Barbe Thys (°1784), dochter van Pierre Joseph Thys en Marie Françoise Denis. Cornelis zelf overleed in Brussel op 3 maart 1859.
- HOUTMAN – DE SMEDT 1980, p. 293-311 brengt een korte historische schets van de suikerraffinaderij "Cels, Aerts en Compagnie" (1760-1806) en haar evolutie (1806-1951). Het bevat een interessant beeld van deze vennootschap en van haar suikerfabriek aan de Kaasstraat te Antwerpen.
- Over Cels, zie ook SIRET 1872, p. 403-405; CELS 1937; JANSSENS 1942; COEKELBERGHS, LOZE & OGONOVSKY 1985, p. 177-178.
- In sommige publicaties staat dat hij in de leer ging bij Walter Pompe zelf, maar dat is niet mogelijk aangezien Walter al in 1777 overleed. Cels bevestigt trouwens zelf dat hij in de leer ging bij de zoon.
- https://nl.wikipedia.org/wiki/P.J._Denis (laatst geraadpleegd op 15 oktober 2025).
- Het enquêteformulier wordt bewaard in het Rijksmuseum van Amsterdam en is met een persoonlijke log-in digitaal raadpleegbaar.
- ANONIEM 1815.
- ANONIEM 1807, hier op p. 4.
- CELS [ZONDER DATUM]
- Meer over Antonio Canova, zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Antonio_Canova (laatst geraadpleegd op 12 september 2025).
- Het schilderij bevindt zich in het Museum voor Schone Kunsten in Gent: https://www.mskgent.be/collectie/s-197 (laatst geraadpleegd op 12 september 2025).
- De medaille bevindt zich in het STAM in Gent: https://stamgent.be/nl_be/collectie/kunstwerken/A2016_03 (laatst geraadpleegd op 12 september 2025).
- COENEN 1995, p. 42.
- https://ilab.org/assets/catalogues/catalogs_files_OUTSIDERHOOD%201.pdf (laatst geraadpleegd op 15 september 2025) met daarin de tekst ‘Shit, Crap and Turd as main characters. An unpublished Italian Scatological Drama’. De waarde van het manuscript wordt er op zo’n 1.400 euro geschat.
- ROME 1807, p. 129-130.
- https://www.dbnl.org/tekst/_gul005193201_01/_gul005193201_01_0009.php (laatst geraadpleegd op 17 september 2025) met meer info over Aldegonde Cels en Hendrik Peter Verdussen. Over Hendrik Peter Verdussen zie verder VISSCHERS 1857.
- LEEMANS 1972, p. 126-132, nr. 37 (hoofdaltaar) en p. 291-292.
- Van de rederijkerskamer De Groeiende Boom is een verzamelhandschrift bewaard dat achttien toneelstukken bevat, geschreven door minstens zeven verschillende bekende en minder bekende auteurs. Ze werden allemaal geschreven en voor het eerst opgevoerd tussen 1734 en 1803. Het werd in 2014 erkend als Vlaams topstuk. Het werd in 2015 aangekocht door de Vlaamse overheid en na conservatie kreeg het boek een plek in de Universiteitsbibliotheek Antwerpen als langdurige bruikleen.
- WILLEMS 1844, p. 289.
- WILLEMS 1844, p. 288; BERGMANN 1873, p. 455, 500, 503, 519, 521, 522, 553; RAMS 2002, p. 71, 75, 93, 108, 110, 111, 112.
- KASG 41/5 en KASG 41/8. Met dank aan Marc Mees.
- DEVLIEGHER 1982, p. 257-260.
- https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Cornelis_Cels_-_The_martyrdom_of_St_Barbara.JPG (laatst geraadpleegd op 20 september 2025).
- CARLIER 2017, p. 134.
- MIGOM 2024, p. 26.
- VAN DEN BRANDEN 1883, p. 1337 en 1339.
- Cornelis Cels zal op zijn beurt een Franstalig huwelijksgedicht schrijven: Couplets faits et chantés à l’occasion du marriage de monsieur Emmanuel Verbruggen et mademoiselle Milo par leur beaufrère C. Cels, peintre, te dateren op 22 juli 1817. Emmanuel Verbrugghen, broer van Angélique, geboren in Lede op 21 december 1784, verblijvend in Brussel, rentenier, later handelaar, trouwde op 22 juli 1817 in Brussel met Séraphine Nathalie Milo, geboren in Ninove op 25 april 1794. Emmanuel overleed in Brussel op 25 augustus 1845, Séraphine in Sint-Joost-ten-Node op 16 december 1862.
- https://en.wikipedia.org/wiki/Jean-Michel_Cels (laatst geraadpleegd op 22 september 2025).
- Verschillende van deze portretten zijn terug te vinden op het internet.
https://nl.wikipedia.org/wiki/Otto_Paulus_Groeninx_van_Zoelen (laatst geraadpleegd op 22 september 2025).
ANONIEM 1807
ANONIEM, Minervas schoon-schitterende lofloof: om het hoofd gestrengelt van den weldenkenden heer d’heer Cornelius Cels, konstschilder en inboorling der stad Lier in Braband; ter verwelkooming zyner te-rug-rys van d’hoofdstad der Christen-wereld Roomen, Lier, J.H. Le Tellier, (1807), 8 p.
ANONIEM 1815
ANONIEM, Liedeken gesongen op de trouw feeste van d’heer Cornelius Cels ende jouffrouw Angelique Verbruggen den 10 meij 1815 binnen Brussel, 1815, 10 p.
BERGMANN 1873
BERGMANN A., Geschiedenis der Stad Lier, Lier, 1873, 679 p.
CARLIER 2017
CARLIER M., De laatste Brugse rederijkers, Brugge, 2017, 213 p.
CELS [ZONDER DATUM]
CELS C., handschrift, 2 blz.
CELS 1937
CELS A., La famille Cels - Notice généalogique, Gent-Brugge, 1937.
COEKELBERGHS, LOZE & OGONOVSKY 1985
COEKELBERGHS D., LOZE P. & OGONOVSKY J., Om en rond het neo-classicisme in België, Brussel, 1985, p. 177-178.
COENEN 1995
COENEN L., ‘Vier tekeningen van Cornelis Cels uit de verzameling van het Stedelijk Museum Wuyts-Van Campen en Baron Caroly te Lier’, in: Lira Elegans 5, 1995, p. 41-52.
DEVLIEGHER 1982
DEVLIEGHER L., ‘Het Barbara-schilderij van C. Cels in de Sint-Salvatorkathedraal te Brugge’, in: Sacris erudiri 25, 1982, p. 257-260.
HOUTMAN – DE SMEDT 1980
HOUTMAN – DE SMEDT H., Liber alumnorum Karel van lsacker sj, Opstellen aangeboden aan professor dr. K. van Isacker door oud-studenten van de UFSIA ter gelegenheid van zijn emeritaat. (Bijdragen tot de geschiedenis), 1980, p. 293-311.
JANSSENS 1942
JANSSENS B., Liersche kunstschilders uit vorige eeuwen, Lier, 1942, 106 p.
LEEMANS 1972
LEEMANS H., De Sint-Gummaruskerk, Antwerpen, 1972, 530 p.
MIGOM 2024
MIGOM S., Museum Vleeshuis. Biografie van een monument, Antwerpen, 2024, 79 p.
RAMS 2002
RAMS T., ‘De Rederijkers in Lier’, in: Lira Elegans 10, 2000-2002, p. 7-116.
ROME 1807
Memorie enciclopediche Romane sulle belliarti; Antichita’ ec, II, Rome, 1807, p. 129-130.
SIRET 1872
SIRET A., ‘Corneille Cels’, in: Biographie nationale, vol. 3, 1872, p. 403-405.
VAN DEN BRANDEN 1883
VAN DEN BRANDEN F.J., Geschiedenis der Antwerpsche schilderschool, Antwerpen, J.E. Buschmann, 1883, 1436 p.
VISSCHERS 1857
VISSCHERS P.J., Lykrede over den achtbaren en geleerden heer Hendrik Peeter Verdussen, overleden den 4n mey 1857 te Antwerpen, met aenteekeningen, Antwerpen, P.E. Janssens, 1857, 42 p.
WILLEMS 1844
WILLEMS J.F., ‘’Kronyk der Kamers van Rhetorica, te Lier’, in: Belgisch Museum, 8 (1844), 478 p.
Archieven
Kerkarchief Sint-Gummarus Lier (KASG)
Inventarisnummers KASG 41/5 en KASG 41/8.

