Lira Elegans 2.0
Artikel nr.
17
-
04/2026

Een recente ontdekking

Twee 17de-eeuwse ramen uit Lier in Canada

1. Inleiding

Zoals in alle steden in Europa waren religieuze en burgerlijke gebouwen in Lier al vanaf de late middeleeuwen vaak rijk gedecoreerd met prachtige en indrukwekkende reeksen gebrandschilderde ramen. Van dergelijke beglazingsreeksen is er in Lier heden ten dage helaas nog maar één in situ te bewonderen, namelijk in de Sint-Gummaruskerk.1 Een tweede serie ramen, die van het Sint-Elisabethhospitaal, is gelukkig ook bewaard gebleven, zij het dat deze reeks na de sloop van het gebouw in 1871, overgebracht werd naar het Museum Kunst & Geschiedenis in Brussel.2 Een derde reeks, die oorspronkelijk het Kartuizer-klooster in Lier versierde, is uitgebreid beschreven in het Lierse Graf- en Gedenkschriften deel van Mast & Cox uit 1902. Helaas zijn er van deze ramen slechts een paar kleine fragmenten overgebleven. Deze werden ontdekt in vensters van het trappenhuis van het tegenwoordige Beaney House of Art and Knowledge te Canterbury (het voormalige Royal Museum and Free Library).3 Van de overige ramen uit Lierse gebouwen, eveneens beschreven in diverse bronnen, werd gevreesd dat ze waarschijnlijk voor altijd verdwenen waren.4 Gelukkig werd in 2007 een opzienbarende ontdekking gedaan: één van de ramen uit de Sint-Margareta- of begijnhofkerk met de voorstelling van de heilige Clara van Assisi en Suzanna van Rome dook op in de collectie van het Victoria and Albert Museum in Londen (afb. 8).5 En tijdens een recente inventarisatie, uitgevoerd door het Canadese Corpus Vitrearum comité, in de depotcollectie van het Musée des Métiers d'Art du Québec (MUMAQ) in Montreal, werden nog eens twee Lierse ramen teruggevonden. Een daarvan was reeds opgenomen in de Artefacts Canada database6 en toont een voorstelling van de heilige Elisabeth van Hongarije (afb. 1, 14 en 46).7 Tijdens de fysieke controle van dit raam werd er tot grote verrassing nog een tweede raam gevonden dat tot dan toe volledig onopgemerkt was gebleven. Dit raam laat een afbeelding zien van de heilige Victor van Marseille, de patroonheilige van de molenaars (coverafbeelding, afb. 10 en 55).8 Verder werden er nog een aantal fragmenten ontdekt die op één na behoren tot het al eerder geregistreerde Elisabethraam (afb. 7).9 En tot slot werd er in januari 2025 nog een fragmentarisch tekstpaneeltje ontdekt in de collectie van het Victoria and Albert Museum, dat uit een vierde raam van de Lierse Begijnhofkerk afkomstig moet zijn (afb. 9).10

Ondanks het ontbreken van duidelijke en correcte informatie in de Canadese database en in de inventaris en archieven van het museum over de herkomst van deze ramen, konden beide ramen in Montreal net als het Londense raam en het fragment aldaar, gekoppeld worden aan de Lierse begijnhofkerk.11 Dit was mogelijk dankzij de rond 1790 gemaakte beschrijvingen van Christoffel Drymans12 en de in 1902 gepubliceerde inventaris van Ernest Mast13 en Franciscus Cox.14 In dit artikel zullen, na de beschrijving van de drie glasramen en het fragment te Londen, de veronderstelde omzwervingen van de ramen besproken worden. Er is verder aandacht voor enkele mogelijke inspiratiebronnen en er wordt kort ingegaan op de gekende donateurs en donatrices die op de onderschriften van de ramen genoemd worden. Hierna worden de veronderstelde locaties van de ramen besproken, die voor een groot deel bepaald konden worden aan de hand van het Drymans-manuscript en de publicatie van Mast & Cox. Veel van de door hen beschreven items zijn weliswaar verdwenen of van plaats veranderd (de grafstenen en de schilderijen bijvoorbeeld), maar de beeldhouwwerken van de kerk bevinden zich nog op hun originele plaats. Mede aan de hand hiervan kon de oorspronkelijke plaatsing van het merendeel van de ramen geverifieerd worden.

Als laatste worden de beschrijvingen van de ramen in de teksten van Drymans en van Mast & Cox getoond. De auteurs van de beide inventarissen hebben, zo is nu de overtuiging, zeer zeker de ramen met eigen ogen kunnen zien. Wat betreft Drymans was hier al geen twijfel over, maar gezien de in sommige gevallen uitgebreidere beschrijving van Mast & Cox lijkt dit ook in hun geval overduidelijk.
Tot slot danken wij eenieder die medewerking verleend heeft aan deze publicatie. Zonder al deze hulp zou het niet mogelijk geweest zijn dit artikel te schrijven. Met name noemen wij hier Marc Mees voor wie geen moeite en tijd te veel was en ons altijd assisteerde met het oplossen van vragen en telkens zorgde voor het aanleveren van de noodzakelijke foto’s, literatuur en documentatie.15

2. De gebrandschilderde ramen

2.1 Het raam met de voorstelling van de heilige Elisabeth van Hongarije te Montreal en het raam met de voorstelling van de heilige Clara van Assisi en Susanna van Rome te Londen
Afb. 01: Anoniem, de heilige Elisabeth van Hongarije deelt aalmoezen uit, 1668, gebrandschilderd glas-in-lood paneel, Musée des Métiers d'Art du Québec (MUMAQ), Montreal, NN 1098.1 met invoeging van de fragmenten (© Claire Labrecque en fotobewerking Prosper de Jong).

Het eerste paneel uit Montreal laat een voorstelling zien van de heilige Elisabeth, terwijl zij aalmoezen geeft aan een bedelaar (afb. 1, 14 en 46).16 De voorstelling is geschilderd op een rechthoekig glas-in-lood-paneel en is omgeven door een op glas geschilderde imitatie houten lijst met rechte, lineaire profielen. Het raam moet ooit volgens de oude beschrijvingen de datum 1668 getoond hebben, net als het raam in Londen.

Door de nu ontbrekende datum is het duidelijk dat er onderdelen van dit raam ontbreken. Ook bij de andere twee ramen ontbreken gedeelten. Dit valt op te merken na vergelijking met de beschrijvingen van Drymans, Mast & Cox. De reden hiervan is niet bekend. Mogelijk zijn de ramen, nadat ze verwijderd werden uit de begijnhofkerk, qua formaat aangepast om geplaatst te worden in vensters van een ander gebouw.

Het Elisabethraam bestaat in de huidige toestand uit zeven maal zes glaspaneeltjes van gelijke afmetingen. Het raam is in twee registers verdeeld. Het bovenste deel laat de scène zien waar de heilige Elisabeth van Hongarije aalmoezen uitdeelt aan een bedelaar.17 Het onderste deel toont een opschrift waarop de volgende tekst te lezen valt ‘Eliʃabeth Wandeleers /meeʃterʃʃe vañ Infermař’. Zoals reeds vermeld is dit opschrift niet meer compleet aangezien de datum mist.18

De heilige is afgebeeld als een jonge vrouw, gekleed in een rijk gewaad, bestaande uit een blauwe jurk en een rode mantel die haar schouders bedekt. Een witte sluier hangt aan haar achterhoofd waardoor haar kapsel zichtbaar is. Zij houdt een boek, waarop twee kronen liggen, in haar linkerhand. Haar uitgestrekte rechterarm wijst naar een bedelaar aan haar voeten die op een bergje graan zit. Met haar rechterhand laat ze enkele munten vallen in de bedelnap die de bedelaar vasthoudt. Deze man is gekleed in een eenvoudige witte en groene mantel en hij heeft een band om zijn hoofd. De ondergrond is in groene emailverf geschilderd, terwijl de achtergrond bedekt is met wolken of waarschijnlijk kringelende rookwolken uitgevoerd in stippeltechniek. Deze rookwolken verwijzen mogelijk naar haar martelaarschap. Tenslotte zien we vanuit de linkerbovenhoek een goddelijke lichtstraal die de heilige raakt. Deze compositie wordt sinds de 16de eeuw mede in het Antwerpse kunstenaarsmilieu in diverse variaties herhaald, zoals onder andere te zien is op een gravure van Hieronymus Wierix (afb. 2) alsook op een glasrondje dat afkomstig is uit het Elisabethhospitaal te Lier (afb. 3).

Op een andere gravure, vervaardigd door Cornelis van Merlen19 (afb. 4), is er een opvallende wijziging te zien die we ook tegenkomen op het raam te Montreal. Behalve de houding van de heilige, ze staat rechtop en draait licht naar rechts om munten in de mok van de bedelaar te doen, de goddelijke lichtstraal die door de wolken schijnt en de kleuren van de kleding van de bedelaar en de heilige die traditioneel zijn, valt het op dat de heilige Elisabeth niet meer afgebeeld is als een devote non. Ze wordt afgebeeld als een rijke, vorstelijke en wereldse vrouw.

Afbeelding 02: Hieronymus Wierix, de heilige Elisabeth van Hongarije deelt aalmoezen uit, gravure (veilingcatalogus, 12 en 13 december 2016, lot nr. 130, Veilinghuis Gonelli, Florence).
Afbeelding 03: Anoniem, de heilige Elisabeth van Hongarije deelt aalmoezen uit, glasruitje, Brussel, Museum Kunst & Geschiedenis, 2018 II, afkomstig uit Lier, Sint-Elisabethhospitaal (© KIK-IRPA, Brussel, neg.nr. x060692).
Afbeelding 04: Cornelis van Merlen, de heilige Elisabeth van Hongarije deelt aalmoezen uit, devotieprent, Utrecht, Rijksmuseum het Catharijneconvent, BMH-dp1342 (© Rijksmuseum Het Catharijneconvent).

Deze manier van uitbeelding van de heilige lijkt in deze periode, de tweede helft van de zeventiende eeuw, gebruikelijk te worden. Als voorbeeld hiervan worden hier twee schilderijen getoond, opgenomen in de fototheek van het KIK-IRPA te Brussel.20 Het eerste betreft een schilderij gefotografeerd in het jaar 1917 of 1918 (afb. 5). Ook op dit schilderij ontbreekt de nimbus bij de heilige, net als op het raam te Montreal en is zij ook als een vorstelijke dame afgebeeld. Helaas is de verblijfplaats van dit schilderij tegenwoordig onbekend, mogelijk is het werk zelfs verloren gegaan in de laatste jaren van de Eerste Wereldoorlog.

Afbeelding 05: Anoniem, de heilige Elisabeth van Hongarije deelt aalmoezen uit, verblijfplaats onbekend, schildering op doek (© KIK-IRPA, Brussel, neg.nr. b019526).

Een tweede, gelijkaardig, voorbeeld is het schilderij dat bewaard wordt in de Sint-Elisabethkerk te Haren (Brussel). Ook hier draagt Elisabeth slechts een kroontje op haar hoofd en wordt ze eveneens afgebeeld als een wereldse en vorstelijke vrouw (afb. 6). Het lijkt erop dat deze uitbeelding van de heilige, met name in het gebied rond Antwerpen en Brussel, gebruikelijk was in de tweede helft van de zeventiende eeuw.

Afbeelding 06: Anoniem, de heilige Elisabeth van Hongarije deelt aalmoezen uit, Sint-Elisabethkerk, Haren, schildering op doek (© KIK-IRPA, Brussel, neg.nr. x156759).

De huidige toestand van het raam

Het Elisabethraam is over het algemeen in redelijk goede staat. Naast de ontbrekende strook of stroken waarop de datering te zien geweest is, ontbreken voornamelijk in de twee onderste hoeken enkele stukken glas en er zijn enkele vervangstukken gebruikt (bij de bovenhoeken en aan de randen). Verder zijn er breukloden te zien en er zijn enkele ongelode breuken. De meeste hiervan zitten aan de rechterzijde van het paneel. De overgebleven losse fragmenten uit de twee hoeken21 bevinden zich in de fragmenten-collectie van het museum (afb. 7).22 Afbeelding 1 is een bewerkte foto waarop het raam en de fragmenten middels photoshop-bewerking ingevoegd zijn.

Afbeelding 07: Anoniem, fragmenten gebrandschilderd glas, Musée des Métiers d'Art du Québec (MUMAQ), Montreal, NN 1099. 1-9 (© Claire Labrecque).

Op enkele plekken van het paneel zijn er overschilderingen te zien, met name op sommige hoekjes van de glasstukken. Verder is de blauwe emailverf op de mantel van Elisabeth hier en daar verweerd, voornamelijk boven de kronen op het boek. Andere plekken, waar het email afgebladderd is, zijn geretoucheerd.

Afbeelding 08: Anoniem, de heilige Clara van Assisi en Susanna van Rome, 1668, gebrandschilderd glas-in-lood paneel, Victoria and Albert Museum, C.2-1951, Londen (© Victoria and Albert Museum).

Het Londense raam, dat overduidelijk verwant is, toont twee vrouwelijke heiligen, Clara van Assisi en Susanna van Rome (afb. 8 en 48). De opbouw van dit paneel is vrijwel identiek aan het raam met de heilige Elisabeth. Verder zien we, hier net als op de panelen van het MUMAQ, een opschrift met de namen van de twee schenksters, Clara Bollaerts en haar zuster Susanna. Het opschrift luidt: ‘JOVFF, CLARA BOLLAERTS / HEYLICH GEEST MEESTERSSE EŇ / SVSANNA HARE SVSTER’. De vier getallen 1, 6, 6 en 8 geven het jaar aan dat het raam vervaardigd werd. Zeer waarschijnlijk is ook dit raam kleiner gemaakt. Het lijkt erop dat ook in dit raam een strook verdwenen is aan de onderzijde. De twee heiligen lijken nu vreemd afgesneden. Over de omzwervingen van dit raam en een fragmentarisch tekstpaneeltje uit een vierde raam van de Begijnhofkerk (afb. 9, 41 en 44), eveneens in 1951 geschonken aan het Victoria and Albert Museum, is helaas niet veel bekend.23

Afbeelding 09: Anoniem, fragmenten van een gebrandschilderd glas-in-lood paneel, 1668, Victoria and Albert Museum, Londen. C.2:2-1951 (© Victoria and Albert Museum).
2.2 Het raam met de voorstelling van de heilige Victor van Marseille
Afbeelding 10: Anoniem, de heilige Victor van Marseille, gebrand-schilderd glas-in-lood paneel, Musée des Métiers d'Art du Québec (MUMAQ), Montreal, NN 1098.2 (© Claire Labrecque).

Het tweede raam te Montreal (coverafbeelding, afb. 10 en 55) laat de heilige Victor van Marseille zien.24 Dit raam werd, zoals reeds vermeld, bij toeval ontdekt tijdens de consultatie van het Elisabethpaneel in juni 2023 in het MUMAQ. Ook dit raam wordt in de reserves van het museum bewaard. Het was echter volledig over het hoofd gezien en bleek zelfs nog geen inventarisnummer te hebben. Het was, zoals eerder vermeld, ook niet opgenomen in de Artefacts Canada Database.

Volgens Mast & Cox was dit raam te lokaliseren in het vijfde venster aan de noordzijde van het schip. Zij vermelden verder dat op dit raam Keizer Hendrik afgebeeld is boven een opschrift dat de schenker noemt. Deze opdrachtgever, Henrici (Henricus) Herts, was kapelaan van de Sint-Gummaruskerk en pastor van de begijnhofkerk. De eerdere beschrijving van Drymans beschrijft geen heilige, maar vermeldt slechts het opschrift: ‘DONOR DI RNĪ HENRIC HERTS / HUIVS BEGGINASİİ’. In de vier hoeken zien we de datum van vervaardiging ‘AN NO 16 67’. Verder was er ooit nog een wapenschild te zien. Op het raam is echter niet Keizer Hendrik afgebeeld, zoals Mast & Cox schrijven, maar de heilige Victor van Marseille. Dit valt op te maken uit het attribuut dat hij vasthoudt, namelijk een model van een molen. We kunnen alleen maar raden naar de reden van de vergissing in de beschrijving van Mast & Cox. Het was over het algemeen gebruikelijk dat een donateur zich liet afbeelden met zijn of haar ‘naamheilige’. Volgens de beschrijvingen van Mast & Cox waren er trouwens meerdere afwijkingen wat betreft de overeenkomst tussen de namen van donoren en de afgebeelde heiligen. (ramen Z1, N2, N4).

De randdecoratie imiteert een vergulde houten eierlijst, zodat het, net als bij de twee andere ramen, een schilderij in een houten lijst lijkt. De heilige is gekleed in een ‘pourpoint’ onderkleed in blauwe emailglasverf, hierover heen is een borstharnas geschilderd in grisaille glasverf en zilvergeel en ook de helm laat deze kleuren zien. De mantel, uitgevoerd in sanguine rode glasverf, bedekt zijn linkerschouder. De rechterschouder is niet bedekt, waardoor een schouderstuk in de vorm van een leeuwenkop te zien is. Verder zijn er twee zwaarden afgebeeld, het eerste in de schede aan zijn riem achter op zijn rug en een tweede dat de heilige in zijn rechterhand vasthoudt en dat naar beneden wijst. Een detail dat opvalt is een sterk uitstulpende decoratie op het kuras in de vorm van een schelp. Dit detail laat de uitstraling van deze heilige behoorlijk imposant zijn. Wellicht was deze uitstraling de oorzaak van de foutieve benoeming door Mast & Cox?

Een dergelijke schelp met leeuwenkop is leuk genoeg ook te zien is op een oude foto van een ommegang met Lierse reuzen (afb. 11).25 Er wordt geopperd dat de decoratie op de foto mogelijk nog onderdeel is van het oude verdwenen curas, dat mogelijk zelfs nog 17de-eeuws was.26

Afbeelding 11: Anoniem, processie met Lierse reuzen, fotografische opname, datering onbekend (foto ontvangen via Marc Mees).

Zou het kunnen dat de maker van de oude, gefotografeerde reus zich heeft laten inspireren door de afbeelding van de heilige op het raam in de Begijnhofkerk? En zou de glasschilder van het raam zich wellicht op zijn beurt weer gebaseerd kunnen hebben op een Goliath die hij toendertijd werkelijk gezien heeft?27 Op de huidige reus, die in de jaren 50 van de vorige eeuw vervaardigd werd, is er geen schelpornament meer te zien.

Tenslotte zijn op de achtergrond van de compositie op het raam vlammen en rookwolken te zien, die mogelijk verwijzen naar een scène uit het leven van Victor waarbij hij een wierookbrander omschopt die gebruikt wordt ter verheerlijking van een afgodsbeeld.

De huidige toestand van het raam

Net als bij de twee hierboven besproken ramen lijkt het er hier ook op dat het raam op enig moment verkleind werd. Slechts de bovenzijde van de heilige is afgebeeld, terwijl zijn benen op een vreemde manier afgesneden zijn en ook een gedeelte van het opschrift ontbreekt.

Wat betreft de conditie zien we weinig breukloden, een aantal kleine niet verlode breuken en enkele ontbrekende fragmenten. In verhouding tot de twee andere panelen is er wel een behoorlijke verwering te zien van de glasverven waardoor er een aantal delen nogal vervaagd zijn. Het paneel is opgebouwd uit 33 rechthoekige glasstukken, die samen een rechthoekig paneel vormen. Het lichaam van de heilige is geschilderd op drie grotere glasstukken.

3. De omzwervingen van de panelen

Het exacte moment van het uitnemen van deze en de overige ramen is niet bekend. Het archief van de Religiekas, dat bewaard wordt in het Rijksarchief te Brussel, vermeldt de confiscatie van veel ramen tijdens het bewind van keizer Jozef II. Hierbij waren onder andere de ramen van het Kartuizerklooster te Lier, maar de ramen van de Begijnhofkerk worden in dit archief niet genoemd. Men is in het begijnhof, trouwens net als in het Elisabethgasthuis, mogelijk de dans ontsprongen vanwege de niet-contemplatieve hospitaal- en zorgfunctie.28 Hoewel dit ook opvallend genoeg het geval was met andere kloosters die wel contemplatief waren. In principe wordt ervan uitgegaan dat de meeste oude ramen nog tot het einde van de 19de eeuw in de begijnhofkerk aanwezig waren. Bekend is dat er in 1824 een nieuw raam geplaatst werd ‘boven de heilige Petrus’.29 Wanneer we de beschrijving van Mast & Cox lezen, moet dit het zesde raam geweest zijn van de noordelijke zijbeuk. Er was al eerder aan dit raam het een en ander veranderd. Volgens Mast & Cox hebben er opvolgend een tweetal verschillende gebrandschilderde panelen gezeten. Ze vermelden een heraldisch raam met een wapenschild en de naam Peeter van den Driessche, maar noemen ook het opschrift betreffende Catarina en Elisabeth Schatten dat 1667 gedateerd is. Het raam dat in plaats hiervan in 1824 geplaatst werd is echter ook verdwenen. Op deze plek zien we nu het in 1867 door Jean-Baptiste Capronnier30 vervaardigde raam dat geschonken werd door de bloedverwanten van Catharina Josepha Moons. Ook na 1867 werden er nieuwe ramen besteld. Zo werden er in 1892 negen nieuwe vensters door de glazenmaker Marin Vermeylen geplaatst. Al met al zijn de meeste oude ramen dus ergens rond 1892 uitgenomen. Mede hierdoor kan er vanuit gegaan worden dat Mast & Cox de oude ramen inderdaad nog zelf gezien moeten hebben, zij het nog in de vensters of mogelijk al uitgenomen en ergens in een opslag. Overigens verschillen de locatieaanduidingen van de ramen als we Drymans vergelijken met Mast & Cox. In het deel van dit artikel waar de mogelijke locaties van de ramen besproken worden, wordt in principe de beschrijving uit de publicatie van Mast & Cox gevolgd. De inventarisatie van Drymans doet wat chaotisch aan en lijkt hier en daar niet correct.

De periode tussen het uitnemen van de ramen en het opduiken ervan in zowel Canada als Engeland blijft in nevelen gehuld. Zowel het Victoria and Albert Museum als het MUMAQ in Montreal hebben nagenoeg geen documentatie over de herkomst.

Wat we wel weten van de ramen te Montreal, is dat ze ooit behoord hebben tot de collectie van Jean-Marie Gauvreau (°1903-1970+ en zie afb. 12).

De Gauvreau-collectie werd in 1967 eigendom van het Canadese ministerie van Onderwijs die de collectie tenslotte op 24 januari 2008 overdroeg aan het Musée des métiers d’art du Québec (MUMAQ) in Montreal.31

Afbeelding 12: Weef demonstratie in de École du Meuble de Montréal met o.a. Jean-Marie Gauvreau, derde van links (© BAnQ Vieux-Montréal, laatst geraadpleegd 20 november 2025).

Hoe Gauvreau deze (en andere) objecten heeft verworven blijft de vraag. In de periode tussen ca. 1926 en 1930 volgde hij opleidingen in de vakken meubel- en tapijtmaken aan de École Boulle te Parijs. Dit was met het oog op de oprichting van de École du Meuble de Montréal waarvan hij in 1935 directeur zou worden.32 Hij had het voornemen deze opleiding in Montreal een evenbeeld te laten zijn van de École Boulle. Een opvallend detail is wel dat het vervaardigen van gebrandschilderd glas niet in het lespakket opgenomen was.33 Tijdens zijn Parijse periode nam hij o.a. deel aan de Franco-Canadese festiviteiten die plaatsvonden in Lille, Tourcoing en in Doornik.34 Het is verleidelijk te denken dat hij in deze periode kunstvoorwerpen zou hebben aangeschaft, maar of dit gezien zijn status van student mogelijk was, is niet met zekerheid aan te nemen.

Een tweede mogelijkheid, waardoor de glasramen in zijn collectie gekomen zouden kunnen zijn, was de Semaine Belge die plaatsvond tussen 22 mei en 5 juni 1937 in Quebec en Ontario.35 Het zou kunnen dat hij bijvoorbeeld de glas-in-lood-panelen als geschenk heeft ontvangen van het Belgische comité of van een van de afgevaardigden van dit comité.36

Onder hen was een zekere Dom Sébastien Braun (°1881-1980+). Dom Braun raakte goed bevriend met Gauvreau na een officieel bezoek aan de École du Meuble. Braun was architect, benedictijns priester en was verbonden aan de Abdij te Maredsous.37 Hij was directeur van de École des métiers d’art in deze abdij, tijdens de jaren 20 en 30 van de vorige eeuw en verzorgde daar onder andere ontwerplessen.38 De opleiding in Maredsous had tot doel het herstellen en herwaarderen van de kwaliteit van met name de religieuze ambachtskunsten. Dit gebeurde door het lesgeven in verschillende traditionele ambachten zoals schilderkunst, houtsnijkunst, brandschilderen, textielkunst, edelsmeedkunst en metaalbewerking.39

De kwaliteit van het vakmanschap, met name dat in de traditionele technieken, moest volgens Braun op deze wijze hersteld worden zodat er tegenwicht geboden kon worden aan de massa-industrialisatie waardoor goedkope en kwalitatief slechte producten vervaardigd werden. Volgens Dom Braun waren de beeldende kunsten hierdoor in verval geraakt.40 Deze opvatting sloot geheel aan bij die van Jean-Marie Gauvreau.

Dom Braun bleef, na de Semaine Belge nog enige tijd in Canada. Hij keerde op 17 augustus van dat jaar terug naar België.41 Tijdens dit verlengde verblijf bezocht Braun Quebec en Ontario en verzorgde hij tevens een aantal uitzendingen voor Radio-Canada waarin hij sprak met een aantal kunstenaars over de wedergeboorte van religieuze kunst en herwaardering voor artistieke en ambachtelijke technieken.42

Gedurende deze periode werd er een Exposition Belgo Canadienne gehouden in de Henry Morgan & Co. Limited stores in downtown Montreal. Dit evenement, georganiseerd door de Belgique-Canada Association en de Belgische regering, werd geopend door de Gouverneur Général van Canada, Lord Tweedsmuir op 25 mei 1937. Het was een belangrijke gebeurtenis, iets wat mede blijkt uit de paginagrote advertentie in de krant La Presse op 21 mei 1937 (afb. 13).

Afbeelding 13: Paginagrote advertentie van de Exposition Belgo-Canadienne, pagina 7 uit LaPresse, 21 mei 1937 (© LaPresse).

Deze tentoonstelling had de bedoeling de bevolking kennis te laten nemen van de verschillende ambachtskunsten uit België. De openingsavond op de vijfde etage van het Henry Morgan-gebouw trok dan ook veel bezoekers.43

De tentoongestelde objecten werden aangekondigd als onschatbaar en van groot belang voor de Frans-Canadese bevolking.44 Opvallend genoeg zien we bovenaan de lijst van tentoongestelde items de vermelding gebrandschilderde ramen staan.45

Of deze ramen de panelen uit Lier waren of dat het moderne exemplaren betrof, kunnen we helaas niet meer achterhalen. Het is wel zeker dat in ieder geval een aantal tentoongestelde voorwerpen pre-modern waren. Dit blijkt uit een korte beschrijving die gepubliceerd werd door de firma Morgan op 25 mei. Hierin wordt geschreven over onder meer contemporaine kant, Brusselse tapijten (beroemd sinds de 16de eeuw), maar ook over tapijten met moderne inspiratie, 11de-eeuwse boeken, kristal uit België alsmede kunstwerken uit Belgisch Congo.46

Het moment waarop Gauvreau de ramen ontving of verwierf blijft dus helaas onbekend. In ieder geval weten we wel dat hij na het aflopen van de Semaine Belge een geschenk ontving van de Belgische architect Charles Rosel in de vorm van een boek. Dit boek, een exemplaar geschreven door de auteur Jules Verchère, werd hem overhandigd door de Belgische consul Maurice Heyne. Rosel wilde Gauvreau danken voor het faciliteren van zijn bezoek aan de École du Meuble gedurende de zomer van 1937.47

Na de Semaine Belge nam de belangstelling van de Frans-Canadese bevolking voor de oude kunstambachten uit België behoorlijk toe. Dit zal zeer waarschijnlijk een grote invloed gehad hebben op waardering en vermeerdering van Canadese collecties met Belgische kunst.

Over de omzwervingen van het in 2007 gepubliceerde raam in het Victoria and Albert Museum, valt helaas eveneens weinig te vermelden. Bekend is dat het raam met de heiligen Clara van Assisi en Susanna van Rome, samen met enkele fragmenten en een 19de-eeuws Duits ruitje, in 1951 werd aangeboden aan het Victoria and Albert Museum door een zekere E.G. Rhodes (afb. 8 en 9). Rhodes was algemeen directeur van de firma Geo. W. Rhodes & Son Ltd., gevestigd op 71a Queen Victoria Street te Londen.48 In eerste instantie werden alle items geweigerd door het museum. Echter, na enige druk, uitgeoefend door Denis Georges Drury de Courcy, vertegenwoordiger van de firma Rhodes, accepteerde de toenmalige directeur van het museum, James Laver, het Lierse paneel en het fragmentarische tekstpaneeltje. Dit wordt vermeld in een brief van directeur Laver aan Drury.49 Hoe Rhodes op zijn beurt het glas verworven heeft is niet bekend. Het raam verliet het museum slechts eenmaal als onderdeel van een expositie met gebrandschilderd glas uit het Victoria and Albert Museum die gehouden werd in de Glynn Vivian Art Gallery te Swansea van 2 mei tot 6 juni in 1987.50

4. Onbekende glasschilders

Tot op heden is er slechts één enkel document in de Lierse archieven bekend waar iets over de ramen van de begijnhofkerk wordt vermeld. Het betreft het onderstaande document dat hier als transcriptie getoond wordt.51

Zoals we kunnen lezen ondertekende glazenmaker Hendrik van Leest op 27 januari 1667 een contract met kerkmeesteres Catharina Aulaerts om na de eerste bouwfase, van 1664 tot 1667, binnen een tijdspanne van een drie- tot viertal maanden, de helft van de (onbeschilderde) ramen (in de lichtbeuk?) te plaatsen. Hij moest er voor zorgen dat deze wind- en waterdicht waren. Zijn werk zou gecontroleerd worden door enkele meesters uit Mechelen of Antwerpen. Er waren drie getuigen aanwezig bij het afsluiten van deze overeenkomst: pastoor Jan Sc(h)atten, Johanna Huysmans en hofmeesteres Johanna van Gelder. Dat Hendrick van Leest niet de glasschilder is geweest van de gebrandschilderde ramen blijkt verder uit het contract waarin eveneens beschreven staat dat de geschilderde ramen geplaatst zullen worden door de glasschilder in kwestie.52

Twee van de drie ramen, die met de vrouwelijke heiligen lijken stilistisch en qua opbouw vervaardigd in hetzelfde atelier. Het raam met Victor ziet er qua stijl en ontwerp enigszins anders uit. Feit is wel dat de drie ramen een omlijst schilderij imiteren. Het raam te Londen en de Elisabeth te Montreal zijn gevat in een octogonale vergulde lineaire lijst. De heilige Victor is afgebeeld in een vergulde eierlijst. De panelen doen alle drie ietwat statisch aan en lijken gebaseerd te zijn op grafische voorbeelden. Opvallend zijn bijvoorbeeld de schilderingen met arceringen (afb. 14) die als het ware het werk van een graveur imiteren.

Afbeelding 14: Anoniem, de heilige Elisabeth van Hongarije deelt aalmoezen uit, detail, 1668, gebrandschilderd glas-in-lood paneel, Musée des Métiers d'Art du Québec (MUMAQ), Montreal, NN 1098.1 (© Claire Labrecque).

Tot nu toe is het onderzoek naar exacte voorbeelden helaas vergeefs gebleken. Hier en daar zijn wel elementen teruggevonden die mogelijk als inspiratiebron gediend kunnen hebben. Hierbij kan bijvoorbeeld het grafische oeuvre van Michel van Lochom genoemd worden.53 Van zijn hand is een reeks van achtentachtig boekillustraties bekend die qua opzet een zekere overeenkomst vertonen met het Londense raam (afb. 15). Helaas werden er ook in deze uitgebreide reeks geen directe voorbeelden ontdekt.

Afbeelding 15: Michel van Lochom, de heilige Elisabeth van Hongarije deelt aalmoezen uit, boekillustratie uit Images des fondatrices, réformatrices ou princiales religieuses de tous les ordres de l’église, Parijs, 1639, illustratie 49 (bron gallica.bnf.fr / Bibliothèque nationale de France).

Ook een ontwerptekening voor een glasraam, van de hand van Pieter de Jode de Oude54 (°1574-1634+), laat een opvallend overeenkomstig detail zien. De tekening stelt God de Vader met het lichaam van de dode Christus voor en ook zijn een geknielde paus, een keizer en heiligen afgebeeld (afb. 16).55 De overeenkomst tussen het schelpvormig uitstulpsel op het borstkuras van de afgebeelde keizer en dat van de heilige Victor uit Lier valt direct op. We hebben zoals gezegd een dergelijke versiering ook al eerder gezien op het harnas van de oude reus Goliath in de Lierse ommegang en er zijn ook andere voorbeelden te vinden.

Afbeelding 16: Pieter de Jode de Oude, God de Vader met de dode Christus, een paus, een keizer en heiligen, vidimus voor een glasraam, Albertina, Wenen, 8199 (© Albertina).

Uiteraard is dit ontwerp van De Jode ruim vijftig jaar eerder gemaakt dan het raam. Een andere, kleinere,  tekening in de Albertinacollectie, eveneens vervaardigd door Pieter de Jode de Oude, laat interessant genoeg een octogonale omlijsting zien die weer doet denken aan de omlijsting van de twee ramen met de vrouwelijke heiligen (afb. 17).56

Afbeelding 17: Pieter de Jode de Oude, de Geboorte van Christus, tekening, Albertina, Wenen, 8197 (© Albertina).

Een derde voorbeeld, alweer met een nabootsing van een schilderijlijst, ditmaal een eierlijst, wordt bewaard in de collectie van het Museum of Stained Glass te Ely, Groot-Brittannië (afb. 18). Op het centrale gedeelte van het raam is een niet-geïdentificeerde voorstelling te zien waarop enkele soldaten, een vorst en een geestelijke afgebeeld zijn.

Op dit raam, vervaardigd in de nabije omgeving van Abraham van Diepenbeeck,57 zien we de vorst in een wapenrusting waarop alweer een schelp als decoratie te zien is.

Afbeelding 18: Anoniem, een vorstelijke weldoener met een gezelschap voor een geestelijke, gebrandschilderd glas-in-lood paneel, detail, Ely, Museum of Stained Glass, inv. nr. ELYGM:1994.5.2 (© C.J. Berserik).

Ook op andere kunstvoorwerpen komen we een kuras met de schelp tegen. Een mooi voorbeeld hiervan is de reliekhouder van de heilige Gummarus in de Sint-Gummaruskerk te Lier, vervaardigd in 1712 door de Mechelse zilversmid Hendrick Wyndrickx (afb. 19).58

Afbeelding 19: Hendrick Wyndrickx, Sint-Gummaruskerk te Lier, reliekhouder van de heilige Gummarus, 1712 (© Marc Mees).

Het lijkt er overigens op dat er een zekere iconografische traditie was in het uitbeelden van deze, toch vrij onbekende, heilige. Om dit te illustreren kunnen we tot slot een iets later voorbeeld tonen. Het betreft een klein devotieprentje (afb. 20), rond 1700 vervaardigd door Jan Baptist van den Sande (III), een graveur en uitgever uit Antwerpen. Wat opvalt is dat de kleding van de heilige dezelfde kleuren heeft als de kleding op het glasraam, de stand van het zwaard is anders en ook de schelpdecoratie is afwezig. Zowel op het raam, als op de gravure zien we de molen afgebeeld in een traditionele ‘overhek’ of ‘overkruis’ stand. Deze stand van de wieken duidt erop dat de molen in rust staat of stilstaat voor langere duur.59

Afbeelding 20: Jan Baptist van den Sande (III), de heilige Victor van Marseille, ca. 1700, devotieprent, verblijfplaats onbekend (https/molentak.blogspot.com/2014/07/de-molenstenen-van-sint-victor.html, laatst geraadpleegd 20 november 2025).

5. De schenksters en schenkers van de begijnhoframen

Aan het einde van de zestiende eeuw was het Lierse Begijnhof door vele oorlogshandelingen zwaar in verval geraakt.60 Al snel in de zeventiende eeuw waaide er een nieuwe wind door de Zuidelijke Nederlanden en begon men, net als in andere steden, te Lier met de stichting van een aantal kloosters en de herstellingen van het begijnhof. Dit resulteerde tevens in de bouw van een nieuwe kerk op het begijnhof. De kosten van de nieuwbouw werden opgebracht door enerzijds de begijnen en tevens met hulp van de bisschop van Antwerpen Marius Ambrosius a Capello en de plebaan van de Sint-Gummaruskerk Gaspar Smits. De voornaamste initiatiefneemsters waren de hofmeesteressen Anna Dillen en Joanna Huysmans alsmede in het bijzonder de kerkmeesteresse Catharina Aulaerts. De eerste bouwfase van deze kerk besloeg de periode tussen 1664 en 1667. Helaas was de rampspoed nog niet voorbij. Lier werd in die jaren ook nog eens door een pestuitbraak getroffen. Zelfs de pastoor van het Begijnhof, Gerardus van Antwerpen, overleefde, net als vele anderen, deze epidemie niet. Het is duidelijk dat de bouw door deze volgende zwarte periode niet echt voorspoedig verliep. De kerk zou dan ook niet geheel afgebouwd worden, dit zou pas een honderdtal jaar later gebeuren.61

Rond 1667 en 1668 was de kerk in zulke mate voltooid dat er ramen geplaatst konden worden. Dankzij de diverse beschrijvingen is de identiteit van een aantal schenkers en schenksters bekend. Naast persoonlijke donaties zien we dat ook het stadsbestuur van Lier een raam geschonken heeft waarop het stadswapen is afgebeeld (afb. 21 en 37). Mast & Cox in hun Graf- en Gedenkschriften beelden alleen het wapenschild af en geven niet aan of er nog meerdere versieringen te zien geweest waren. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld schildhouders in de vorm van twee leeuwen die het wapen vasthouden of dat er randdecoraties te zien geweest zijn.62 Gezien de genoemde locatie, namelijk ‘boven het hoogaltaar’, lijkt dit wel logisch.

Afbeelding 21: Wapenschild van de stad Lier, detail uit het wapen- en vlaggenboek van Gerrit Hesman (© beeldbank Leeuwarden).

In de beschrijving van de ramen zien we dat er, naast een aantal inwoonsters van het Begijnhof, ook diverse hoge geestelijken het van belang vonden om een raam te schenken. Veruit de belangrijkste hiervan was Marius Ambrosius a Capello, sinds 1654 bisschop van Antwerpen (afb. 22). Het raam met zijn wapenschild (afb. 23 en 38), zou volgens Drymans in eerste instantie de datum 1671 gehad hebben (5 maii ao 1671). Echter, in een aparte notering staat ook een tweede datum: 1676 (4 Octob 1676). Mast & Cox melden alleen dit latere opschrift. Beide data betreffen absoluut belangrijke jaren, want 1671 was het jaar van de kerkwijding en op 4 oktober 1676 overleed Capello.63 Het blijft dus onduidelijk welk opschrift er inderdaad te zien geweest is.

Afbeelding 22: Paulus Pontius naar Abraham van Diepenbeeck, Marius Ambrosius a Capello, gravure, Amsterdam, Rijksmuseum, RP-P-1905-245 (© Rijksmuseum).
Afbeelding 23: Wapenschild van Marius Ambrosius a Capello, illustratie uit Het Gulden Boek van de Kapel van het Allerheiligste Sacrament van de Antwerpse Kathedraal. (www.heraldry-wiki.com, laatst geraadpleegd 20 november 2025).

De volgende hoge geestelijke waarvan we de naam tegenkomen is Jacobus Hroznata Crils (Criels) van Halsteren.64 Hij was, van 1663 tot zijn dood in 1695, abt van de norbertijnenabdij Onze-Lieve-Vrouwe van Tongerlo. Wat opvalt is dat volgens Mast & Cox slechts het wapenschild van de abdij te zien geweest zou zijn (afb. 24 en 39) en niet zijn persoonlijke wapenschild (afb. 25).

Afbeelding 24: Wapenschild van de abdij van Tongerlo (www.heraldry-wiki.com, laatst geraadpleegd 20 november 2025).
Afbeelding 25: Wapenschild van Jacob Hroznata Crils (© Marc Van de Cruys).

Naast abt Crils heeft ook de abt van de Sint-Salvatorabdij te Antwerpen, ook wel bekend als de Pieter Potabdij, Benedictus Blommaert (afb. 26) in 1667 een raam geschonken.65 In zijn geval liet hij de glasschilder naast het abdijwapen (afb. 27 en 59) ook zijn persoonlijke wapenschild met zijn motto ‘Flores Apparuerunt’ vervaardigen (afb. 28 en 59). Hij heeft dit raam overigens niet heel lang kunnen bewonderen, aangezien hij reeds in 1668 overleed.

Afbeelding 26: Sanderus, Benedictus Blommaert, boekillustratie, Chorographia sacra Brabantiae, 1659 (www.wikipedia.org, laatst geraadpleegd 20 november 2025).
Afbeelding 27: Wapenschild van de Sint-Salvator of Pieter Potabdij (© Marc Van de Cruys en Marc Cheron).
Afbeelding 28: Wapenschild van Benedictus Blommaert (© Marc Van de Cruys en Marc Cheron).

Wat betreft de volgende mannelijke donor, de drossaart Peter van der Driessche op wiens raam geen datum vermeld staat66 is niet veel bekend. Over de plebaan en pastoor van de kapittelkerk, Gaspar Smits,67 wiens donatie eveneens plaatsvond in 1667, weten we meer (afb. 56 en 57). Bergmann schrijft in 1873 over Smits dat hij in 1668 een legaat naliet aan de Sint-Gummaruskerk ter grootte van 600 gulden om een zilveren reliekkas voor de Gummarusrelieken te laten vervaardigen.68 Over de schenker van het raam met de heilige Victor dat nu te Montreal bewaard wordt (coverafbeelding, afb. 10 en 55) Henrici (Henricus) Herts weten we meer. Het is onder andere bekend dat hij een zoon was van Christoffel Haerts uit Brussel. Christoffel huwde de Lierse Katelijne Rabode en kreeg maar liefst tien kinderen, waarvan Henricus de jongste was. Hij werd geboren op 10 januari 1623. Hij werd gewijd tot priester op 9 september 1648 en stierf op 1 november 1710. Henricus was maar liefst 68 jaar kapelaan van de Sint-Gummaruskerk, waar ook zijn zerk te vinden is.69 Verder was hij pastoor van het Begijnhof.70 Verder vinden we een inschrijving op 11 december 1643 aan de Leuvense Universiteit van een zekere Henricus Herts.71 Zeer waarschijnlijk betreft dit ‘onze’ Henricus. Op het raam dat hij geschonken heeft in 1667 stond naast de afbeelding van de heilige Victor, ook een wapenschild met een motto ‘Spes mea deus’ en nogmaals de datum 1667. Het afgebeelde wapenschild lijkt volgens de beschrijvingen van Herts te zijn. De wapenspreuk kan hier geen bewijs voor leveren omdat deze vrij algemeen was.72

Ook over de vrouwelijke schenksters van de ramen is er vrij weinig bekend.73 Enkele persoonlijke gegevens zijn te vinden in een publicatie van Mortelmans & Verheyen.74 Zij gaan in op de ontwikkeling van het Begijnhof en benoemen een aantal bewoonsters en bewoners. Veel van de begijnen hebben buiten de ramen van hun nieuwe kerk overigens ook andere decoraties en kunstwerken bekostigd.75

Van Hofmeesteres Johanna Huysmans, medestichtster van de begijnhofkerk, samen met haar zuster Anna, donatrice van een raam gedateerd 1667 (afb. 40), is bekend dat zij in het huis Sint-Theresia woonde.76 Zij was 36 jaar lang Hofmeesteres tot zij overleed op 7 november 1677.

Over Clara Bollaerts, Heilige Geestmeesteres, is bekend dat zij gewoond heeft in het huis O.L.V. van Zeven Weeën.77 Samen met haar zuster Susanna heeft zij, net als de gezusters Huysmans, in 1668 een raam geschonken dat hier reeds beschreven is en dat in het Victoria and Albert Museum bewaard wordt (afb. 2 en 48). Een derde zuster, Anna, bewoonde het huis Sint-Aloysius van Gonzala (Pompstraat 6 en 8).78 Zij overleed op 8 juni 1693. Een vierde zuster, Elisabeth, die eveneens de functie van Heilige Geestmeesteres vervuld had, was al op 28 maart 1663 overleden.

Verder weten we dat in 1672 het huis De Benedictie des Heeren (Pompstraat 2) werd bewoond door Anna Lambrechts (verlatiniseerd naar Lamberti). Ook zij heeft in 1667 een raam geschonken aan de Sint-Margaretakerk (afb. 51).79

De zusters Catharina en Elisabeth Schatten, tevens beide begijnen en mede-donatrices (afb. 56), hadden een broer, Johannes, die pastoor was op het Begijnhof. Niet onverwacht heeft deze gewoond in het huis De Oud-Pastorij (Kalvarieberg 7 en 8) van 22 januari 1666 tot zijn overlijden op 26 januari 1674.80

Catharina woonde in 1672 in het huis De Wyngaert des Heeren (St.-Margaretastraat 6). Vanaf 1695 woonde hun zuster Elisabeth in dit huis.81

Over de andere begijnen, die genoemd worden als donatrices van ramen in de beschrijving van Mast & Cox, de gezusters Aulaerts, Joanna van Gelder, Elisabeth Wandeleers, Joanna Meertens, Susanna Bollaerts, Catarina van de Swyfel, de drie gezusters De Weerdt en de gezusters Campomenosi, is er helaas niets gevonden in de voorhanden zijnde literatuur.

6. Conclusie

Veel vragen over het ontstaan en de omzwervingen van de ramen zijn, zoals blijkt uit dit artikel, nog steeds niet beantwoord. We weten immers nog steeds niet wie de ramen ontworpen heeft, wie de glasschilders waren en wanneer ze verwijderd werden uit de Begijnhofkerk. Ook hoe de ramen terecht zijn gekomen in de verzamelingen te Londen en te Montreal is slechts voor een deel bekend. De twee vroege bronnen die er zijn, het manuscript van Christoffel Drymans en de gepubliceerde beschrijving van Mast & Cox, zijn de enige twee bronnen die tot op heden bekend zijn. Drymans heeft de ramen zeer zeker zelf kunnen zien en blijkens de completere beschrijving uit 1902 hebben Mast & Cox ook de restanten van het nog aanwezige oude glas kunnen bekijken. Zij geven namelijk in tegenstelling tot het manuscript van Drymans, tevens beschrijvingen van de voorgestelde heiligen, de heraldische en de overige voorstellingen. De verkeerde identificatie van de heilige boven het opschrift van Henrici (Henricus) Herts valt mogelijk te verklaren door de imposante uitstraling van de in wapenrusting gehulde heilige, waardoor zij waarschijnlijk dachten dat de heilige keizer Henricus te zien was, mede vanwege de naam Henrici in het opschrift. De reden dat Victor gekoppeld werd aan de naam Henrici Herts blijft onduidelijk. Zou diens familie oorspronkelijk uit molenaars bestaan hebben?

In ieder geval is het dankzij deze beschrijvingen, die hierna als bijlagen getoond worden, gelukt deze drie ramen te koppelen aan hun plaats van oorsprong, namelijk de Begijnhofkerk van Lier. Hopelijk kunnen er door het verschijnen van dit artikel in de (nabije) toekomst meer vragen beantwoord worden. En wie weet hoeveel andere ramen en fragmenten zich nog elders bevinden en eveneens mogelijk herkend zullen worden.

Download het artikel

Bewaar je dit artikel graag apart op je computer? Of lees je een bijdrage toch liefst nog op papier? Alle artikels zijn beschikbaar in een aangename pdf.

Download het artikel

Cornelis Johannes (Kees) Berserik (°1955) is doctorandus in de kunstgeschiedenis en archeologie. In 1982 schreef hij zijn doctoraatscriptie over Leids gebrandschilderd glas uit ca.1480-1540. Vanaf 1982 doet hij onderzoek op het gebied van klein gebrandschilderd glas uit de 15de tot 18de eeuw. Vanaf 2002 is hij lid van het Nederlandse Corpus Vitrearum comité. Verder was hij mede-adviseur voor de Vlaamse topstukkenlijst gebrandschilderd glas en tot begin 2025 was hij mede-adviseur bij de werkgroep ‘vlakglaskunst in Nederlandse collecties’ van de RCE. Vanaf november 2025 werkt hij aan de catalogus gebrandschilderde ruiten van de stichting Huis van Leyden.

Claire Labrecque (°1957) is PhD in kunstgeschiedenis en architectuur. Als actief lid van het Canadese comité van het Corpus Vitrearum heeft zij onderzoek kunnen doen naar pre-modern gebrandschilderd glas (12de tot 18de eeuw) in Canadese collecties. Zij heeft diverse artikelen over Gotische architectuur en beeldhouwkunst gepubliceerd, alsmede artikelen in Vidimus (2018) en The Journal of Stained Glass (2020). Het resultaat van haar onderzoek wordt binnenkort gepubliceerd in het tweede deel van de Canadese Corpus Vitrearum Checklist (met James Bugslag als co- auteur).

Download het artikel

Bewaar je dit artikel graag apart op je computer? Of lees je een bijdrage toch liefst nog op papier? Alle artikels zijn beschikbaar in een aangename pdf.

Download het artikel

Cornelis Johannes (Kees) Berserik (°1955) is doctorandus in de kunstgeschiedenis en archeologie. In 1982 schreef hij zijn doctoraatscriptie over Leids gebrandschilderd glas uit ca.1480-1540. Vanaf 1982 doet hij onderzoek op het gebied van klein gebrandschilderd glas uit de 15de tot 18de eeuw. Vanaf 2002 is hij lid van het Nederlandse Corpus Vitrearum comité. Verder was hij mede-adviseur voor de Vlaamse topstukkenlijst gebrandschilderd glas en tot begin 2025 was hij mede-adviseur bij de werkgroep ‘vlakglaskunst in Nederlandse collecties’ van de RCE. Vanaf november 2025 werkt hij aan de catalogus gebrandschilderde ruiten van de stichting Huis van Leyden.

Claire Labrecque (°1957) is PhD in kunstgeschiedenis en architectuur. Als actief lid van het Canadese comité van het Corpus Vitrearum heeft zij onderzoek kunnen doen naar pre-modern gebrandschilderd glas (12de tot 18de eeuw) in Canadese collecties. Zij heeft diverse artikelen over Gotische architectuur en beeldhouwkunst gepubliceerd, alsmede artikelen in Vidimus (2018) en The Journal of Stained Glass (2020). Het resultaat van haar onderzoek wordt binnenkort gepubliceerd in het tweede deel van de Canadese Corpus Vitrearum Checklist (met James Bugslag als co- auteur).

Eindnoten
  1. De ramen van de Sint-Gummaruskerk zijn beschreven in o.a. MAST & COX 1902, p. 3-121; HELBIG 1943, nrs. 1206-1229; HELBIG & VAN STEENBERGHE DE DOURMONT 1951, nrs. 2446-2462; D’HULST 1956; HELBIG 1961, p. 129-176; LEEMANS 1972 en Lier 2009.
  2. Zie o.a. HELBIG & VAN DEN BEMDEN 1974, p. 148-164 en BERSERIK & CAEN 2007, p. 364-366. MAST & COX 1902 maken opvallend genoeg geen melding van deze ramen. Dit zou kunnen omdat deze ramen al verdwenen waren, echter dit geldt ook voor de Kartuizer ramen die wel opgenomen werden in hun publicatie.
  3. Zie hiervoor PUGIN THORNTON 1899; HELBIG 1943, nr. 1231; HARTDOORN 1957; DE GRAUWE 1995 en BERSERIK & CAEN 2007, p. 369-392. Deze ramen worden overigens geroemd als zeer fraai in CARTON 59 van het archief van de Religiekas, bewaard in het Brussels Rijksarchief.
  4. MAST & COX 1902; HELBIG 1943, nrs. 1230, 1232 en 1233; HELBIG & VAN STEENBERGHE DE DOURMONT 1951, nrs. 2462, 2463 en BERSERIK & CAEN 2007, p. 364-392.
  5. BERSERIK & CAEN 2007, p. 367-368. Londen, Victoria and Albert Museum, Londen, inv. nr. C2.1951
  6. https://app.pch.gc.ca/application/artefacts_hum/indice_index.app (laatst geraadpleegd op 30 november 2025).
  7. MUMAQ inventarisnummer NN 1098.1.
  8. MUMAQ inventarisnummer NN 1098.2.
  9. MUMAQ inventarisnummers NN 1099.1-9.
  10. Het fragment heeft inv. nr. C.2:2-1951.
  11. De afmetingen van het V&A paneel (bij benadering), hoogte 80.5 cm., breedte: 66.6 cm.; afmetingen van de MUMAQ panelen gemeten ‘in de dag’: Sint-Elisabeth, hoogte: 78.5 cm., breedte 65.3 cm.; Sint-Victor, hoogte: 79,0 cm., breedte: 63.9 cm. De leden van het Corpus Vitrearum Canada danken mede-auteur Kees Berserik die wees op de gemeenschappelijke oorspronkelijke herkomst van de drie ramen.
  12. Christoffel Drymans (°Leuven 1739 – Lier 1797 +). Drymans studeerde aan de Leuvense universiteit en kwam voor zijn priesterwijding naar Lier. Hij werd op 3 juni 1763 benoemd tot zangmeester van de Sint-Gummaruskerk en werd in 1766 tot priester gewijd. Tijdens zijn ambtstermijn als zangmeester in de Lierse Sint-Gummaruskerk Lier, van 1763 tot zijn overlijden in 1797, bracht hij de muziekkapel van de Sint-Gummaruskerk tot hoge bloei. Hij was tevens componist. Zijn inventarisatie van de Lierse kunstschatten zal hij vermoedelijk in de periode 1770 en 1797 genoteerd hebben. Ook is er het vermoeden dat hij andere personen ingeschakeld heeft bij deze inventarisatie. Er zijn duidelijk verschillende handschriften te zien in de notities. (mededeling Marc Mees per e-mail aan C.J. Berserik, 29 april, 2025).
  13. Ernest Mast (°Lier 1827 – Lier 1906 +). Mast vervulde een aantal belangrijke politieke functies. Hij was ondermeer schepen van de stad.
  14. Franciscus Cox (°Roermond 1844-Antwerpen 1919 + ) was stadsbouwmeester van Lier tussen 1873 en 1908.
  15. De auteurs willen verder Marc van de Cruys danken voor zijn toestemming voor het gebruiken van afbeeldingen van wapenschilden, overgenomen uit de reeks Heraldiek van abdijen en kloosters, Prosper de Jong en Marian Berserik-van der Hurk voor het nalezen van het initiële manuscript en het corrigeren, Gerard van de Garde voor de correctie van de transcriptie van het ‘Van Leest’ contract en uiteraard Marc Mees voor diens tijd, de hartelijke ontvangsten, de raad en daad, de afbeeldingen en alle overige gegevens die hij continu aanleverde.
  16. DRYMANS s.d., p. 292; MAST & COX 1902, p. 159; Inv. VERWILT, p. 459, nr. 9 en MEES e.a. 1999, p. 205. Het manuscript van Drymans kon geraadpleegd en gefotografeerd worden.
  17. De heilige Elisabeth leefde in de eerste helft van de 12de eeuw en zij werd in 1235 heilig verklaard. Als prinses was ze gehuwd met Lodewijk IV van Thüringen. Na haar overlijden, besteedde zij haar leven aan het uitvoeren van goede werken. Hierdoor werd zij later vereerd als patroonheilige van ziekenhuizen en weeshuizen.
  18. MAST & COX 1902, p. 159.
  19. Cornelis van Merlen (Antwerpen 1654-1723).
  20. https://www.kikirpa.be (laatst geraadpleegd op 3 december 2025).
  21. Wat overgebleven is van de cijfers die de datering toonden, is te zien op enkele van de grootste fragmenten. Wij danken Ivo Rauch en Elena Kosina (Corpus Vitrearum Duitsland) voor hun wetenschappelijke analyse van het glas in juni 2023 en Jim Bugslag (Corpus Vitrearum Canada) voor zijn rapportage van de toestand van de panelen en de fragmenten. De fragmenten zijn middels photoshop-bewerking toegevoegd in de eerste afbeelding.
  22. Fragmenten collectie, MUMAQ, inventarisnummers NN 1099.1-9.
  23. Een persbericht van het Glynn Vivian Art Gallery & Museum te Swansea, dat ontdekt werd in de archieven van het MUMAQ, vermeldt dat het paneel aan het V&A museum was geschonken op een onbekend tijdstip door een zekere Mr. E.G. Rhodes. Het Glynn Vivian Art Gallery & Museum heeft het paneel van 2 mei tot 6 juni 1987 geëxposeerd op een tentoonstelling.
  24. Het verhaal gaat dat de heilige Victor een Christelijke soldaat was in het Romeinse leger die vermalen werd tussen twee molenstenen. Hij stierf te Marseille in 303, nadat hij weigerde heidense afgoden te aanbidden. Hierdoor werd hij de patroonheilige van molenaars, hij draagt daarom als attribuut een molen.
  25. Foto ontvangen van Marc Mees, zie ook ANONIEM 2022.
  26. Mededeling Marc Mees per e-mail aan C.J. Berserik, 29 april, 2025.
  27. BERGMANN 1873, p. 326, noot 1.
  28. Carton 59, fol. 19. Zie ook COSEMANS & LAVALLEYE 1926, p. 167.
  29. MEES e.a. 1999, p. 206.
  30. Jean-Baptiste Capronnier ((Parijs 1814 - 1891 Schaarbeek).
  31. Het École du Meuble, het voormalige École technique de Montréal, opgericht in 1935, kreeg de naam Institut des Arts appliqués in 1958. De collecties, ondermeer die van Gauvreau, werden overgebracht naar het Musée des arts décoratifs de Montréal (Musée du Château Dufresne) in 1985, en wat later, in 1987, naar het Musée d’art de Saint-Laurent waarvan de naam in 2003 werd gewijzigd in Musée des métiers d’art du Québec (MUMAQ).
  32. Zie CHOUINARD 1988, p. 2 en DUBOIS 2007-2008, p. 22.
  33. DUBOIS 2007-2008, p.22.
  34. Jean-Marie Gauvreau, toen ingeschreven als student op het École Boulle in Paris (1926-1930), bezocht de steden Lille en Tourcoing, in Frankrijk. Hij stak tevens de Belgische grens over en bezocht eveneens de stad Doornik. Na het beëindigen van de feesteloijkheden in Doornik, gaf Gauvreau een uitvoerige lozing waarin hij de nauwe betrekkingen prees die bestonden tussen de Belgische en Frans-Canadese cultuur, zie DUBLY 1928, p. 16, 49-51.
  35. ‘Bienvenue à la mission commerciale belge’, ANONIEM 1937-IV, p. 7.
  36. De missie bestond uit een groep van twintig Belgische deelnemers die op 21 mei 1937 aankwam in de stad Quebec; zie ‘Délégués de la Belgique à Montréal’, ANONIEM 1937-III, p. 1. De initiatiefnemer van de Semaine Belge was baron Robert Silvercruys, de toenmalige Belgische gezant in Canada. Op 12 februari 1937 arriveerde hij te Montreal om te bespreken hoe de Semaine Canado-Belge vrije handelsakkoorden tussen België en Canada konden bevorderen. Het belangrijkste doel was het versterken van de economische, de commerciële en de intellectuele status van de twee landen en eveneens het benadrukken van de overeenkomsten tussen de twee culturen, zie SILVERCRUYS 1937, p. 3. Verdere gegevens over de baron zijn te vinden in ‘Académie de Belgique: Les Belges et New York, 5 Jan 1953’, Georgetown University Archival Resources, Box: 5, Folder : 46,  https://findingaids.library.georgetown.edu/repositories/15/archival_objects/1296456 (laatst geraadpleegd op 6 Januari 2025). Verdere gegevens over de Canadese-Belgische week zijn te vinden in ‘Montréal aura sa ‘Semaine Belge’, zie ANONIEM 1937-II, p. 8: ‘The Belgian training ship Mercantor would enter the port of Montreal where it would be welcomed by the Governor-General of Canada, a week-long exhibition of Belgian domestic art would take place in Montreal, and a Belgian industrial mission would cross the Eastern Canadian provinces’.
  37. Dom Sébastien Braun bezocht de École du Meuble op 3 juni 1937. Dit bezoek maakte een diepe indruk op hem. Dit blijkt onder andere uit de woorden die hij uitsprak na dit bezoek: “I’ve never seen in a finest furniture-making college, in Europe, anything that is more beautiful, more perfect, than the works I’ve had a chance to see this morning in the institution directed by M. Jean-Marie Gauvreau”. Op een foto die gemaakt is tijdens het banket dat de ‘École du Meuble’ organiseerde voor het Belgische comité, zien we Dom Braun en Jean-Marie Gauvreau gezamenlijk aan het hoofd van de tafel zitten. Zie hiervoor ‘Collation de diplômes et ouverture du Salon de l’École du Meuble’, zie ANONIEM 1937-VII, p. 12. Zie ook www.Maredsous.com (laatst geraadpleegd op 28 januari 2025).
  38. BÖRØCZ 2011, p. 179.
  39. GRAUX 1937, p. 4.
  40. BÖRØCZ 2011, p. 179-180.
  41. ‘Départ du ‘Montrose’, ANONIEM 1937-VIII, p. 3.
  42. De uitzendingen vonden plaats in de studio van Radio-Canada, Montreal, op 24 juni en 1, 6, 8,14 en 15 juli; deze uitzendingen werden op dezelfde dagen in de krant Le Devoir aangekondigd– BAnQ online database.
  43. Lord Tweedsmuir zat de officieële opening in het Henry Morgan-gebouw voor. Zie ANONIEM 1937-V, p. 8.
  44. ‘Rapprochement belgo-canadien’, ANONIEM 1937-I, p. 6.
  45. La Presse, 21 Mei 1937, nr. 182, p. 7.
  46. Advertentie van Henry Morgan Co. Limited, gepubliceerd in Le Petit journal, 30 Mei 1937, nr. 34, p. 9.  Op een foto, gemaakt op de openingsavond zijn een aantal Belgische vertegenwoordigers te zien, staan voor een 17de-eeuws gobelin. Zie: ‘À l’inauguration de l’Exposition d’art belge’, ANONIEM 1937-VI, p. 13.
  47. ‘Ouvrage d’une extrême rareté. Un don de la Belgique à M. Jean-Marie Gauvreau’, ANONIEM 1938, p. 3. Gauvreau ontving een exemplaar van Jules Verchères zeldzame boek, L’art du mobilier de styles (1878). Dit zal zeer gewaardeerd geweest zijn door Gauvreau aangezien Verchère, die gespecialiseerd was in meubelmaken en houtsnijwerk, een positie aangeboden had gekregen bij de opening van de École Boulle in 1886. Zie LAURENT 1996, p. 147; LASC 2018, p. 84.
  48. De voorgestelde heiligen werden in eerste instantie gedeeltelijk verkeerd geïdentificeerd door het museum als Clara en Catherina. Zie Victoria & Albert Museum Registry, # 1950/3835 16/1/51.
  49. Het raam kreeg inventarisnummer C2-1951. Zie Victoria & Albert Museum Registry, # 1950/3835 16/1/51.
  50. Advertentie: Stained Glass from the Victoria and Albert Museum, London, Glynn Vivian Art Gallery & Museum’, 1987.
  51. Rijksarchief Antwerpen (RAA), Lier Begijnhof 9 (thans bewaard in het archief Lier). Transcriptie ontvangen van Marc Mees. Zie MEES e.a. 1999, p. 20, waar ten onrechte vermeld wordt dat Van Leest alle ramen moet plaatsen.
  52. Rijksarchief Antwerpen (RAA), Lier Begijnhof 9 (thans bewaard in het archief Lier). MEES e.a. 1999, p. 204.
  53. Michel van Lochom (Antwerpen 1601-1647 Parijs).
  54. Pieter de Jode de Oude (Antwerpen 1574-1634).
  55. Albertina te Wenen, inv. nr. 8199, volgens de onlinecatalogus van het museum is dit een ontwerp voor een verdwenen raam in Leuven.
  56. Er worden verder twee kleine tekeningen van Pieter de Jode bewaard in de collectie van de Albertina te Wenen, inv. nr. 8197 (de Geboorte van Christus) en inv. nr. 8198 (de Aanbidding door de Koningen).
  57. Abraham van Diepenbeeck (Den Bosch 1596-1675 Antwerpen).
  58. Mededeling Marc Mees per e-mail aan C.J. Berserik, 23 oktober 2025.
  59. Er zijn veel traditionele standen van de molenwieken die een bepaalde betekenis hebben. De meest gebruikte zijn: Roede voor de borst (korte rust), Overhek of Overkruis: rust voor langere periode; In de vreugd: voor een geboorte en In de rouw: voor een overlijden.
  60. Voor een uitvoerige beschrijving van alle gruwelijke gebeurtenissen, zie BERGMANN 1873.
  61. MORTELMANS & VERHEYEN 1974, p. 125 en zie ook MEES e.a. 1999, p. 15 en 16.
  62. MAST & COX 1902, p. 145.
  63. BIERMANS 1948, p. 38 en MEES e.a. 1999, p. 204.
  64. MAST & COX 1902, p. 149.
  65. MAST & COX 1902, p. 169.
  66. MAST & COX 1902, p. 168, beide namen worden hier vermeld.
  67. BIERMANS 1948, p. 27.
  68. BERGMANN 1873, p. 300.
  69. De vroegste melding hiervan is te vinden in het Drymans-manusscript op p. 107. Verdere gegevens komen uit niet-gepubliceerde teksten van Walter Sluydts, Louis Vercammen en het diocesaan archief van het aartsbisdom Mechelen-Brussel. Met dank aan Marc Mees die deze gegevens met de auteurs deelde.
  70. MEES e.a. 1999, p. 205.
  71. Rijksarchief België (Leuven) Inschrijvingsregister matrikels Inschrijvingsregister Oude Universiteit Leuven, 1426-1797, Leuven (https://www.openarchieven.nl, laatst geraadpleegd op 5 februari 2025).
  72. VAN DE CRUYS 2021, p. 84.
  73. MAST 1888, p. 329.
  74. MORTELMANS & VERHEYEN 1974.
  75. Zie hiervoor de gehele publicatie van BIERMANS 1948.
  76. Huis Sint-Theresia, huis nummer 29, volgens MORTELMANS & VERHEYEN 1974, p. 29.
  77. Huis O.L.V. van Zeven Weeën, huis nummer 18, volgens MORTELMANS & VERHEYEN 1974, p. 39.
  78. Huis Sint-Aloysius, huis nummer 77, volgens MORTELMANS & VERHEYEN 1974, p. 113 en 114.
  79. MAST & COX 1092, p. 166; Huis De Benedictie des Heeren, huisnummer 75, volgens MORTELMANS & VERHEYEN 1974, p. 111.
  80. Huis de Oud-Pastorije, huis nummer 16, volgens MORTELMANS & VERHEYEN 1974, p. 31-37.
  81. Huis De Wyngaert des Heeren, huis nummer 35, volgens MORTELMANS & VERHEYEN 1974, p. 68.
  82. De hier gebruikte afbeeldingen zijn overgenomen uit het digitale bestand van DRYMANS s.d. dat door Marc Mees aan de auteurs toegestuurd werd.
  83. De hier gebruikte afbeeldingen zijn overgenomen uit het digitale bestand van MAST & COX 1902 dat door Marc Mees aan de auteurs toegestuurd werd.
  84. Gebleken is dat er in alle transcripties die opgeschreven zijn, of gepubliceerd werden, kleine onnauwkeurigheden te zien zijn. Dit betreft met name het gebruik van afkortingen, hoofdletters en leestekens in vergelijking met de opschriften die op de drie teruggevonden glasramen te zien zijn.
  85. Zie o.a. MEES e.a. 1999, p. 94-96.
Literatuuropgave

ANONIEM 1937-I

ANONIEM, Rapprochement belgo-canadien, in: Le petit journal XI, 2 mei 1937, nr. 34, p. 6.

ANONIEM 1937-II

ANONIEM, Montréal aura sa ‘Semaine Belge’, in: La Patrie, 4 mei 1937, nr. 59, p. 8.

ANONIEM 1937-III

ANONIEM, Délégués de la Belgique à Montréal, in: L’événement, 5 mei 1937, nr. 279, p. 1.

ANONIEM 1937-IV

ANONIEM. Bienvenue à la mission commerciale belge, in: Le Devoir, 22 mei 1937, nr. 117, p. 7.

ANONIEM 1937-V

ANONIEM, Lord Tweedsmuir préside l’inauguration officielle chez Henry Morgan, in: L’illustration nouvelle, 26 mei 1937, p. 8.

ANONIEM 1937-VI

ANONIEM, À l’inauguration de l’Exposition d’art belge, La Patrie, 26 mei 1937, nr. 77, p. 13.

ANONIEM 1937-VII

ANONIEM, Collation de diplômes et ouverture du Salon de l’École du Meuble, in: La Patrie, 4 juni 1937, nr. 85, p. 12.

ANONIEM 1937-VIII

ANONIEM, Départ du Montrose, in: Le Devoir, 17 augustus 1937, nr.189, p. 3.

ANONIEM 1938

ANONIEM, Ouvrage d’une extrême rareté. Un don de la Belgique à M. Jean-Marie Gauvreau’, in: Le Devoir, 2 maart 1938, nr.50, p. 3.

ANONIEM 1953

ANONIEM, Académie de Belgique: Les Belges et New York?, 5 Jan 1953, Georgetown University Archival Resources, Box: 5, Folder: 46.

ANONIEM 1987

ANONIEM, Press Release of the Glynn Vivian, Glynn Vivian Art Gallery & Museum, Swansea, UK, 2 mei tot 6 juni, 1987.

ANONIEM 2022

ANONIEM, Over de Lierse Reuzentrein, in: https://www.gezellenvantgrootvolk.be/over-de-lierse-reuzentrein/ (laatst geraadpleegd op 4 februari 2025).

BERGMANN 1873

BERGMANN A., Geschiedenis der stad Lier, Antwerpen, 1873.

BERSERIK & CAEN 2007

BERSERIK C.J., CAEN J.M.A., Silver-Stained Roundels and Unipartite Panels before the French Revolution, Flanders, Corpus Vitrearum Flanders, Vol. I: The Province of Antwerp, Turnhout, 2007.

BIERMANS 1948

BIERMANS K., Het Begijnhof te Lier – Kunsthistorische studie (met een voorwoord van Felix Timmermans), Antwerpen, 1948.

BÖRØCZ 2011

BÖRØCZ A., Remarkable Continuity between 1930s Ideas and Reconstruction after the Second World War. New Stained-Glass Windows in War-Damaged Churches in the Diocese of Namur (Belgium), in: Living with History, 1914-1964: Rebuilding Europe after the First and Second World Wars and the Role of Heritage Preservation, Leuven, Leuven Un. Press, 2011.

CARTON 59

CARTON 59, beschrijving van geconfisceerde goederen en gebrandschilderde ramen te Lier, Archieven van het Comitee van de Religiekas, Brussel, Rijksarchief, 17 januari, 1785, FOL. 19 (manuscript).

CHOUINARD 1988

CHOUINARD L., L’École du meuble de Montréal (1935-1958): son histoire et sa production de mobilier, M.A. Thesis, Université Laval, december 1988.

COSEMANS & LAVALLEYE 1926

COSEMANS A., LAVALLEYE J., Inventaire des archives du Comité de la Caisse de Religion, in Cuvelier J., in: Archives générales du Royaume – Travaux du cours pratique d’archivéconomie donné pendant les années 1920-1925, Brussel, 1926, p. 155-189.

DE GRAUWE 1995.

DE GRAUWE J., De glas-in-lood-ramen van de Lierse kartuize in het Royal Museum te Canterbury, in: Lira Elegans, nr. 5 (1995), p. 171-184.

DEVOCHT 1990

DEVOCHT K., Het Liers Begijnhof, eigen uitgave, 1990.

D’HULST 1956

D’HULST H., Kunstglasramen in de collegiale kerk van Sint-Gummarus te Lier, Antwerpen, 1956.

DRYMANS s.d.

DRYMANS C., Jaerboeken nopens de stad en het Capittel van Lier tot den jaere achttienhondert, deel 8 (grafschriften) in het Kerkarchief Sint-Gummarus, 126/5 nota G, boek 8 (manuscript).

DUBLY 1928

DUBLY, H-L., À l’ombre du vieil Érable. Récit des fêtes Franco-Canadiennes en Flandre – Mai 1927, Lille, in: Mercure de Flandre, 1928, p. 16, 49-51.

DUBOIS 2008

DUBOIS, M., L’École du meuble de Montréal, in: Revue Continuité, Winter 2007-2008, nr. 115, p. 22.

DUERLOO & CHERON 2007

DUERLOO L., CHERON M., Heraldiek van het bisdom Antwerpen Bisschoppen – Kapittel van Onze-Lieve-Vrouw, Wijnegem, 2007.

GRAUX 1937

GRAUX, L., L’illustration nouvelle, 24 Mei 1937, p. 4.

HARTHOORN 1957

HARTHOORN P.A., Hollandse gebrandschilderde ramen te Canterbury, in: Gens Nostra, jrg. 12, nr. 1 (januari 1957), p. 5-8.

HELBIG 1943

HELBIG J., De glasschilderkunst in België – Repertorium en documenten, Antwerpen, 1943.

HELBIG & VAN STEENBERGHE DE DOURMONT 1951

HELBIG J., VAN STEENBERGHE DE DOURMONT R., De glasschilderkunst in België - Repertorium en documenten, Antwerpen, 1951.

HELBIG 1961

HELBIG J., Les vitraux médiévaux conservés en Belgique 1200-1500, Corpus Vitrearum Medii Aevi Belgique, deel I, Brussel, 1961.

HELBIG 1968

HELBIG J., Les vitraux de la première moitié de XVIe siècle conservés en Belgique – Province d’Anvers et Flandres, Corpus Vitrearum Medii Aevi Belgique, deel II, Brussel, 1968.

HELBIG & VANDEN BEMDEN 1974

HELBIG J., VANDEN BEMDEN Y., Les vitraux de la première moitié du XVIe siècle conservés en Belgique – Brabant et Limbourg, Corpus Vitrearum Medii Aevi Belgique, deel III, Ledeberg-Gent, 1974.

Inv. VERWILT

VERWILT F., Inventaris met beschrijving aan de hand van ‘t archief, cliché’s en foto’s van de grafzerken, meubelen, koper, houten liturgische voorwerpen, edelsmeedwerk, ijzer, tin, heiligenbelden, glasramen, schilderijen ,antependia, kerkgewaden, tapijten, kant, uurwerk, klokken, choorboeken, handschriften, processiegerei enz. Berustende in de kerk van de H. Margarita van het Begijnhof te Lier (onuitgegeven handschrift), 1971-1978.

LASC 2018

LASC A. I., The inventor of interiors: old professors in search of a name, in: Interior Decorating in Nineteenth-Century France, Manchester, Manchester University Press, 2018, p. 84.

LAURENT 1996

LAURENT S., Jules Verchère, un dessinateur d’ameublement au dix-neuvième siècle, in: Revista de História da Arte e Arqueologia, 1996, nr. 2, p. 147.

LEEMANS 1972

LEEMANS H., De Sint-Gummaruskerk te Lier – Kunstpatrimonium van de provincie Antwerpen, Antwerpen-Utrecht, 1972.

LIER 2009

De kunstglasramen in de Sint-Gummaruskerk van Lier, Gilde Heren van Lier vzw, Lier, 2009.

MAST 1888

MAST E., Geschiedkundig Liersch dagbericht met talrijke aantekeningen, Lier, 1888.

MAST & COX 1902

MAST E., COX F.H., Stad Lier – Opschriften van het beggijnhof. - Ville de Lierre . – Inscriptions du béguinage, in: Verzameling der Graf- en Gedenkschriften van de Provincie Antwerpen. – Arrondissement Mechelen. – zevende deel. – Lier. – Parochie- en kloosterkerken / Inscriptions funéraires et monumentales de la Province d’Anvers. – Arrondissement de Malines. – septième volume. – Lierre. – Églises paroissiale et couventuelles, Antwerpen, 1902.

MEES e.a. 1999

GRIETEN S., LEMMENS G., MEES M. (red.), SORBER F., VAN DEN BOGAERT G., VERSTREKEN E., VERWILT F., De Begijnhofkerk van Lier – Bouwgeschiedenis en inventaris van het kunstpatrimonium van de Sint-Margaretkerk, Lier, 1999.

MEES 2014

MEES M. (red.), Gedenkwaardige memorie van Lier. De oudste stadsbeschrijving van Lier uit 1614 door Richalt van Grasen, Liers Genootschap voor Geschiedenis, 2014.

MORTELMANS & VERHEYEN 1974

MORTELMANS  J., VERHEYEN V., Het Lierse Begijnhof, eigen beheer, 1974.

PUGIN THORNTON 1899

PUGIN THORNTON W., Catalogue of two old Dutch painted and stained windows in the Royal Museum and Free Library of Canterbury, Canterbury, 1899.

SILVERCRUYS 1937

SILVERCRUYS, M. Exposition belge à Montréal dès la fin de mai, in: Le Canada, 13 Februari 1937, nr. 263, p. 3.

VAN DE CRUYS & CHERON 2004

VAN DE CRUYS M., CHERON M., De Sint Salvatorabdij Antwerpen – Heraldiek van abdijen en kloosters 7, Wijnegem, 2004.

VAN DE CRUYS e.a. 2007

VAN DE CRUYS M., SCHAUWERS M en CHERON M., Tongerlo – Heraldiek van abdijen en kloosters 15, Wijnegem, 2007.

VAN DE CRUYS 2021

VAN DE CRUYS M., Indexen aanvullingen & verbeteringen op de nummers 21 t/m 40 – Heraldiek van abdijen en kloosters, Wijnegem, 2021.

VERCHÈRE 1878

VERCHÈRE J., L’art du mobilier de styles, Paris, 1878.

Meer artikels

Alle artikels