Lira Elegans 2.0
Artikel nr.
19
-
09/2026

Draak, Dolfijn, Walvis of Hellemonster

De Hellewagen in de Lierse Ommegang

Inleiding

De stad Lier besteedt de afgelopen jaren terecht meer en meer aandacht aan een belangrijk deel van haar erfgoed. Mede door de inzet van de Gezellen van het Groot Volk en de Lierse Pijnders staat de Lierse Ommegang met zijn vele, vaak oude onderdelen zoals de Reuzentrein, de wagens en de zogenaamde fabeldieren, volop in de belangstelling. Al te lang is de Reuzentrein louter als folklore weggezet, maar meer en meer dringen de erfgoedwaarde en het historische belang voor de stad ervan door.

In de aanloop naar de twee laatste Ommegangen (2015 en 2022) zijn er al heel wat restauraties, verbeteringen en vernieuwingen aan de historische Lierse Reuzentrein aangebracht. Hoogtepunten waren zeker het nieuwe Ros Beiaard en de nieuwe kleren van een deel van de reuzen naar ontwerp van couturier en stadsgenoot Dries Van Noten en natuurlijk ook het nieuwe onderkomen, het Reuzenhuis, dat de stad Lier aan haar grootste inwoners ter beschikking heeft gesteld.

Het afgelopen jaar werd door het Stadsmuseum, met het oog op de volgende Ommegang van 2026, ook een van de merkwaardigste wagens onder handen genomen, de Hellewagen of het Hellemonster. Maar de uitvoerders stonden hierbij voor enkele onduidelijkheden: in de loop van de afgelopen decennia stond deze wagen die tot de fabeldieren wordt gerekend, bekend onder verschillende namen. Ook over het eigenlijke gebruik bestond behoorlijk wat verwarring, evenals over de ouderdom en de voorgeschiedenis van de wagen.

De Ommegang en zijn onderdelen: wortels tot in de middeleeuwen

De Lierse Ommegang was – net zoals die in andere steden – in oorsprong een religieuze ommegang. De vroegste sporen ervan gaan terug tot 1417. Naast een strikt kerkelijk onderdeel zoals de aanwezigheid van de lokale clerus en de kanunniken van het kapittel van Sint-Gummarus, maakten ook het reliekschrijn van Sint-Gummarus en wellicht ook het Heilig Sacrament er deel van uit. Daarnaast figureerden er groepen allerhande uit de stedelijke gemeenschap zoals schuttersgilden, rederijkers, ambachten, de stedelijke overheid enz. die zo de hechte band van de hele stadsgemeenschap, de cohesie van alle inwoners representeerden. Net als in veel andere steden wordt die stedelijke gemeenschap met haar rechten en vrijheden zeker sinds 1478 in de ommegang gesymboliseerd door een wagen met maagden. Dat was vermoedelijk een wagen in de vorm van een berg waarop meisjes of maagden zaten met op de top de zogenaamde stedenmaagd of de Maagd van Lier als metafoor voor de stad. De eer van de Maagd van Lier op de berg werd door de hele gemeenschap letterlijk gedragen én figuurlijk verdedigd.

We hebben eigenlijk geen duidelijk beeld van de precieze samenstelling van de Lierse Ommegang doordat een draaiboek, een beschrijving of een opsomming ontbreekt en we ons moeten baseren op onvolledige bronnen – in hoofdzaak stadsrekeningen – of late, secundaire bronnen.

Het is immers niet omdat bepaalde figuren of thema’s in bepaalde jaren niet voorkomen in de stadsrekeningen, dat ze niet in de Ommegang aanwezig waren. Vermeldingen in de rekeningen komen namelijk hoofdzakelijk voor als er onkosten mee gemoeid waren, zoals herstellingen, nieuwe onderdelen of uitrustingen of een geheel nieuwe figuur of wagen of vergoeding aan figuranten.

Het is ook niet omdat sedert omstreeks 1480 de organisatie grotendeels in handen kwam van de twee rederijkerskamers, dat de Ommegang een profaner karakter zou hebben gekregen, zoals weleens wordt gesuggereerd. Er kwamen wel andere figuren, taferelen of wagens bij, maar voor zover we kunnen opmaken bleven alle elementen een duidelijke christelijke of kerkelijke boodschap behouden. Sporen van wereldlijke of klassiek-mythologische thema’s – zoals die bijvoorbeeld in Antwerpen in de loop van de 16de eeuw verschenen – komen in Lier vóór de 18de eeuw blijkbaar niet voor.

De hele 15de eeuw door waren er diverse duidelijk religieuze groepen aanwezig in de Lierse Ommegang. Het kon gaan om wagens waarop een tafereel werd uitgebeeld, zogenaamde tableaux vivants, om individuele personages of groepen die in de Ommegang meeliepen of om opgetuigde wagens. Naast een directe verwijzing naar de in die tijd bij een brede groep van de samenleving voldoende bekende verhalen uit de Bijbel en de evangelies, droegen ze doorgaans een stichtelijke of morele boodschap uit voor de toeschouwers, zoals de Drie Koningen of een eenhoorn als symbool voor de heilige Maagd Maria. Later verscheen er ook nog een wagen met de uitbeelding van de heilige Eucharistie (heilig Sacrament) of een wagen van de heilige Kerk met paus en bisschoppen en wereldlijke gezagsdragers zoals de keizer, een wagen die de ’Molen van Parijs’ werd genoemd en vermoedelijk een zinnebeeldige voorstelling van de hiërarchische structuur van de maatschappij was. Er reden ook wagens met de uitbeelding van de christelijke deugden, van Sint-Joris met de draak, Sint-Michiel, heiligen als Sint-Dimpna, Sint-Katelijne en vanzelfsprekend ook onze stadspatroon Sint-Gummarus enz. mee.1 Het lijdt ook geen twijfel dat deze voorstellingen en wagens een uitgesproken educatieve functie hadden voor de toeschouwers.

Ook nu nog vinden we diverse herinneringen aan deze oorspronkelijke samenstelling in de Ommegang terug.

Zo zijn de verschillende figuren, groepen en wagens van de huidige Lierse Ommegang nog duidelijke verwijzingen naar die religieuze oorsprong. Goliath is uiteraard de reus van het Filistijnse leger uit het Oude Testament die door David, de jonge joodse herderszoon en latere koning van Juda, met de steen van een slinger werd gedood. De Drie Koningen liepen steeds achter de wagen van Bethlehem. Misschien is de huidige kameel nog een vage herinnering aan deze groep. Het Ros Beiaard met de Vier Heemskinderen (vanaf 1417) lijkt een vreemde eend in de bijt, maar het gaat in wezen terug op een middeleeuwse Karelroman rond Karel de Grote die later een christelijke connotatie kreeg.

Ook de hel of de Hellewagen met Lucifer en duiveltjes past geheel in die categorie van stichtelijke uitbeeldingen van het christelijke geloof. Het thema zelf komt eveneens uit de Bijbel en maakt deel uit van de hele heilsgeschiedenis die in de late middeleeuwen populair was. Het komt zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament voor.2 De voorstelling van de hellemond is rechtstreeks ontleend aan de beschrijving van Leviathan, het angstaanjagende, onoverwinnelijke zeemonster in Job 41:5-6, 11-15 (hier in de Willibrordvertaling, 1975):
Wie rukt de deur van zijn bek open, die bek met schrikwekkende tanden?
Zijn rug is schild op schild toegesloten met een zegel.
(…)
Vlammen slaan uit zijn bek, Vonken vliegen eraf.
Damp komt uit zijn neusgaten als uit een ketel op aangeblazen rietvuur.
Zijn adem doet houtskool gloeien, dat doet de vlam uit zijn muil.

Ook in Jesaja 5:14 vinden we een beschrijving van het dodenrijk: Daarom opent het dodenrijk zijn keel, spert het zijn muil mateloos open.

Het lijdt geen twijfel dat de hel in de Lierse Ommegang niet alleen spectaculair om te zien moet zijn geweest, maar ze was, na de verschillende Bijbelse en christelijke voorstellingen die eraan voorafgingen, vooral een niet mis te verstane aansporing om goed en deugdzaam te leven, wilde men niet voor eeuwig in de hel branden. De voorstelling van de hel wordt hier tegelijkertijd geassocieerd met het beeld van de duivel die de verdoemden verslindt.

De aanwezigheid van de hel in de Ommegang was geen louter Liers fenomeen. Ook in andere steden vormden de hel en de duivels een vast onderdeel van de Ommegang. Met name in Antwerpen en Brussel reed in de 16de eeuw alleszins ook een hellewagen mee.3 En soms kwamen ze ook voor in uitbeeldingen van Sint-Michiel en de val van de opstandige engelen, Sint-Joris en de draak of een andere heilige. In Lier wordt de hel in de Ommegang voor het eerst als dusdanig vermeld in 1475-1476.4

Lucifer, duyvelkens, de hel en het hellemonster. De Hellewagen tijdens de late middeleeuwen en de vroegmoderne tijd tot 1722

Duivels op zich kwamen zeker al sinds 1425 voor in de Lierse Ommegang. Toen was er sprake van mannen in duivelskleren5 en in 1426 waren er vier gesellen in duyvels cleederen ghecleet om plaets te maken inde processie.6 Aanvankelijk waren het dus enkel als duiveltjes verklede figuranten die er als afschrikking moesten voor zorgen dat het publiek naar achteren week om plaats te maken voor de Ommegang. In 1458 waren het mannen uit Herentals met duyvelshoeden die wellicht die rol vervulden.7
Vanaf 1476 weten we zeker dat er ook een door een paard getrokken wagen met de voorstelling van de hel meereed: de hel was uitgebeeld op een wagen, vergezeld van als duivels verklede figuranten, die vuur spuwden.8

Voor 1478 krijgen we dankzij de getuigenis die Richalt van Grasen in zijn beschrijving van de stad Lier opnam, een wat nauwkeuriger beschrijving van de Hellewagen: De helle met Lusifer met een deel duyvels ende ses naecte duyvels die uut ende in liepen, ende eenen duyvel met een duyvelin te voet ende eenen duyvel die den anderen duyvel op eenen curdewaghen cruyden.9 Ook in latere Ommegangen bleef de Hel met de duivels een vaste waarde, zoals onder meer blijkt uit de vermeldingen in de stadsrekeningen van 1482-148310 of in 1508-1509.11 In 1523-1524 kregen de duivelskleren nieuwe koeienstaarten.12

Hoewel we in de loop van de 16de eeuw relatief weinig te weten komen over de Hellewagen zelf, zijn uitzicht of gebruik, bleef de Hel een vast onderdeel van de Ommegang en de wagen kreeg een begeleider, een verantwoordelijke tijdens de optocht. In de jaren 1550 bijvoorbeeld vertrouwde de stedelijke overheid die zorg toe aan Peter Cruckens en later aan Peter de Causydere om de Hel te verwarenen (i.e. gade te slaan).13

Bij gebrek aan afbeeldingen van de Lierse Ommegang uit deze periode kunnen we ons niet precies voorstellen hoe dit Hellemonster er moet uitgezien hebben, maar uit de schaarse archivalische gegevens kan toch het een en ander worden afgeleid. Het ging ook vrijwel zeker steeds om een rijdende hel, een hellewagen,14 die door één of meer paarden werd getrokken. Op de wagen of op het hellemonster zat wellicht Lucifer terwijl andere duivels eromheen liepen, erin en eruit kropen of vuur spuwden. Dit wijst er waarschijnlijk op dat de hel hier werd voorgesteld op de in de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd gebruikelijke manier: een grote, monsterlijke, afschrikwekkende kop met wijd opengesperde muil en vervaarlijke tanden.15

Belial keert terug naar de ingang van de hel. Houtsnede uit: Jacobus de Theramo, Das Buch Belial, [Augsburg], 1473
De rijke man en Lazarus. Houtsnede uit: Ludolf van Saksen, Dboeck van den leven van ons heeren Jhesu Cristi, Antwerpen, 1487 (Den Haag, KB, inv. 171 E 39)
Het vagevuur. Miniatuur uit het Getijdenboek van Catharina van Kleef, ca. 1440 (New York, The Pierpont Morgan Library, ms. 945)
De Hel met Lucifer en Satan. Houtsnede uit: Eloi d’Amerval, Livre de la deablerie, Parijs, 1508
Het Laatste Oordeel. Detail van het timpaan van de kathedraal van Amiens, 13de eeuw

In bepaalde jaren liepen er blijkbaar ook een duivel en een duivelin mee terwijl een andere duivel nog een andere in een kruiwagen meevoerde. Hoe de duivels er precies uitzagen, is niet bekend, maar in 1478 is er onder meer sprake van ses naecte duyvels16 en in 1522-1523 kreeg zoals gezegd hun pak een koestaart aangenaaid. Blijkbaar zorgde men ervoor dat de duivels niet alleen afschrikwekkend, maar ook enigszins lachwekkend werden voorgesteld. Meermaals zijn er kosten in rekening gebracht voor het maken of herstellen van duivelshoofden – waar we maskers onder mogen verstaan – en duivelskleren (cfr. infra).

In 1591 blijkt Lucifer samen met zes duiveltjes op de Hellewagen te zitten. Zowel in dat jaar alsook later, zoals in 1605, 1607, 1608 en bijvoorbeeld ook in 1663 betaalde men daarnaast ook een of meer figuranten om het ‘zieltje’ te spelen. Dit was ongetwijfeld iemand die vanachter de tralies in het hellemonster om hulp en verlossing moest smeken vanwege de helse kwellingen om zo de voorstelling nog aanschouwelijker en dramatischer te maken.17 Om het geheel nog angstaanjagender te maken blijkt men zeker sinds 1591 ook vuurwerk (fuseën) afgestoken te hebben vanuit de hel of vanop de wagen.18 Dat moet vanzelfsprekend een hels kabaal hebben gemaakt en ondersteunde zo het beeld van de hel als oord van eeuwige verdoemenis. Vuur, rook en hels lawaai hoorden immers van oudsher tot het standaardbeeld van de hel.

Richalt van Grasen geeft in zijn stadsbeschrijving van Lier een kort verslag van de Ommegang van 1615 met een opsomming van de verschillende stucken, zowel van de Reuzentrein zelf als van de wagens. Als achtste en laatste wagen verscheen de Hel de welc constelyc gemact is.19

Schepen Johannes Snyers, de prins van de rederijkerskamer De Groeyende Boom, neemt in zijn geschiedenis van de rederijkerskamer een verslag op van de grootse Ommegang van 1682 die gehouden werd naar aanleiding van het binnenhalen en de inwijding van het nieuwe reliekschrijn van Sint-Gummarus. De Ommegang was de eerste gelegenheid om de kas plechtig in de stad rond te dragen. In zijn beschrijving geeft hij enkele details die tot dan toe niet terug te vinden waren in de archivalische bronnen. Hierdoor kunnen we ons al een bepaald beeld vormen van het uitzicht van deze Hellewagen: Den vijffden waegen representeerdt de helle met Lucifer en sijne duijvels gemonteert wesende, een audt en fraij stuck wercks representerende een hellebackus gaende open en toe, gelijck oock doen de oogen, zijnde een constich en geestich werck getrocken wordende met vier mooren.20 Die details wijzen erop dat het hellemonster bestond uit een grote kop (hellebackus, i.e. hellebakkes of hellemuil) met open- en toegaande muil en dito ogen, iets wat ook bij andere figuren in ommegangen voorkomt. De ogen van de grote Lierse reus Goliath kunnen bijvoorbeeld nog steeds rollen.

De laatste keer dat de Hellewagen in de 17de eeuw in een ommegang is vermeld dateert van 1686. Toen reed hij uit met Lucifer en negen duivels.21 In de stadsrekeningen van 1698 liet men wel nieuwe duivelshoofden en duivelspakken maken maar van een Hellewagen is er dan geen sprake.22 Of dit betekent dat de wagen effectief niet meer meereed omdat hij te oud en versleten was of dat hij nog in goede staat was en er geen kosten aan besteed moesten worden, blijft onduidelijk.

Algemeen gaat men ervan uit dat vanaf de 16de eeuw de ommegangen loskwamen van de louter religieuze, christelijke inhoud en functie en in de vroegmoderne tijd een meer profaan karakter kregen. Dat gebeurde onder meer door het toevoegen van mythologische of profane elementen, figuren of taferelen.

Dergelijke vermenging werd aanvankelijk overigens niet als tegenstrijdig ervaren. De verschillende elementen kwamen naast elkaar voor, al kwam er mettertijd wel tegenkanting vanuit reformatorische hoek en later ging ook de Rooms-Katholieke Kerk wat op de rem staan. De Kerk had vaak bezwaren bij niet-religieuze reuzen, duivels en monsters die neigen naar heidendom en theater’.23

Als dat al zo was in andere steden, dan was daar in Lier – voor zover we kunnen nagaan – weinig of niets van te merken.
Dat veranderde evenmin nadat de stad de organisatie van de Ommegang vanaf 1480 grotendeels aan de rederijkerskamers had toevertrouwd. De samenstelling bleef met zijn Bijbelse en religieuze elementen geheel binnen de bestaande traditie. Ook de nauwe band met de jaarlijkse kerkwijdings-processie bleef steeds behouden. Die vond in Lier plaats op de zondag na Sacramentsdag, Lier Kermis.

Het lijkt erop dat de traditie van de jaarlijkse Ommegang naar het einde van de 17de eeuw verminderde en dat er met Lier Kermis enkel een bescheidener, minder luisterrijke processie in de plaats kwam. De frequentie van Ommegangen met de Reuzentrein en de verschillende wagens nam vermoedelijk af, maar is nooit helemaal verdwenen. De sporadische Ommegangen uit bijvoorbeeld 1682, 1686 en 1698 bleven ook steeds verbonden met Lier Kermis.

Ook de Ommegang van 1722, die speciaal door het stadsbestuur met grootse luister en inspanning was georganiseerd, ging als vanouds door op 7 juni, de zondag na Sacramentsdag. Dat feest, ook Corpus Christi genoemd, viel dat jaar op donderdag 4 juni. De Ommegang vormde wat de datum betreft dus geen uitzondering op de traditie, maar door zijn omvang en grootsheid was hij allerminst een gewone jaarlijkse processie.24

Traditioneel was de Hellewagen het sluitstuk van de Ommegang, onmiddellijk na de drie reuzen en hun zes kinderen. Ook in 1722 was dit niet anders. Na al de stichtelijke en religieuze taferelen en figuren die al gepasseerd waren, vormde de Hellewagen zo een duidelijke waarschuwing voor het publiek: men kon maar best volgens de geboden van de heilige Kerk leven en de zonde mijden om niet aan de verschrikkelijke kwellingen van de hel te worden onderworpen. De verschillende duivels die op of in de Hellewagen zaten of eromheen liepen, zullen deze boodschap ongetwijfeld nog kracht hebben bijgezet.

Aan Christoffel Drymans (Leuven 1739 - Lier 1797), in de 2de helft van de 18de eeuw zangmeester van de Sint-Gummaruskerk, danken we een opgave van de volgorde van de Ommegang met een summiere beschrijving – inclusief chronogrammen of jaarschriften waarin alle letters met getalwaarde in het Latijn samen opgeteld een jaartal geven – van de groep van de Hellewagen met al zijn duivels.25

De wagen werd voorafgegaan door een duivel op een ezel met de Latijnse tekst hIs DUCIbUs, hIs CoMItIbUs Inferos petIs, (Met deze leiders, met deze metgezellen daal je af naar de onderwereld).  

De Hellewagen zelf, bevolkt met duivels, werd door zes paarden getrokken. Boven op het hellemonster en op elk paard zat een duivel die een van de zeven hoofdzonden voorstelde. Elke duivel droeg een tekst met chronogram of jaarschrift in het Latijn waaruit bleek welke zonde hij verbeeldde. Elk chronogram gaf het jaartal 1722. De Hellewagen vormde zo een tegenbeeld van zowel de triomfwagen van de heilige Kerk als de wagen van Sint-Gummarus. De triomfwagen van de Kerk werd getrokken door zes paarden en droeg onder meer de personificaties van de zeven deugden, die elk een Bijbelcitaat bij zich hadden. Ook de wagen van Sint-Gummarus werd door zes paarden getrokken. Op elk paard zat een engel, eveneens voorzien van een jaarschrift.

De stichtende en belerende inhoud van deze jaarschriften vormt zeldzame aanwijzingen dat in de Lierse Ommegang – zij het vrij laat – ook nadrukkelijk contrareformatorische elementen waren binnengeslopen.26 Ook in de 17de eeuw zijn er mogelijk al gelijkaardige gegevens aanwezig, zoals de wagen van de Heilige Kerk. En in 1722 zijn, naast de wagen van de Heilige Kerk, voorstellingen van de Zeven Deugden en de vier kerkvaders met Thomas van Aquino daar ook uitingen van.27

Op het hellemonster zelf zat een duivel, wellicht Lucifer of Satan. Hoogmoed gold immers als de eerste en zwaarste van de hoofdzonden en werd doorgaans met Lucifer geassocieerd. Die had het als engel immers aangedurfd in opstand te komen tegen God door aan Hem gelijk te willen worden. Hij droeg de volgende tekst mee:

  • Hovaardigheid of hoogmoed: raDIX peCCatorUM sUperbIa (Hoogmoed is de wortel van de zonden).

De andere duivels die vermoedelijk op de zes paarden zaten, waren voorzien van de volgende teksten

  • Gierigheid of hebzucht: aVarItIæ peCCatUM InfernIs IgnIbUs arDebIt, (De zonde van de hebzucht zal in het hellevuur branden)
  • Onkuisheid of wellust: fLagrans LUXUrIa hIC seMper arDet (Brandende wellust brandt hier altijd)
  • Nijd of jaloezie: InVIDIa Igne seMpIterno CrUCIabItUr (De jaloezie zal door het eeuwige vuur worden gekweld).
  • Gulzigheid of vraatzucht: gULa arDentI sULphUre seMper pasCItUr (De gulzigheid wordt steeds door brandende zwavel gevoed)
  • Gramschap of razernij: IraCUnDIa æternIs IgnIbUs aDDICItUr (De gramschap wordt aan het eeuwige vuur gegeven)
  • Traagheid of luiheid: perpetUUM aCeDIa In orCo torqUetUr (De luiheid wordt in de hel eeuwig gemarteld)

Op de achterzijde van de wagen was het opschrift aangebracht:

  • eUCharIstIæ InImICI Inferno traDUntUr (De vijanden van de Eucharistie worden aan de hel overgeleverd)

Of het nog de oude Hellewagen was die in 1722 meereed, blijft onzeker, want er zijn aanwijzingen dat het wellicht om een nieuw exemplaar ging.28

In de vorige editie van de Ommegang, in 1698, kwam de Hellewagen waarschijnlijk niet voor, althans, er werd in de stadsrekeningen met geen woord over gerept. Wel werden er dat jaar nieuwe duivelshoofden gemaakt en liepen er duivels mee in de optocht.29 Het is echter evengoed mogelijk dat ze de wagen van de Heilige Kerk begeleid hebben. Het was immers al langer gebruikelijk dat duivels en zelfs wildemannen dat stuk vergezelden, en de wagen van de Heilige Kerk was er in 1698 wel bij.30

Het was al van 1686 geleden dat de hel met zekerheid deel had uitgemaakt van de Ommegang. Behalve de uitgaven voor een Lucifer en negen duivels en enkele ‘gadeslaanders’ waren er dat jaar geen kosten voor genoteerd.31 Waarschijnlijk was het dus nog dezelfde wagen als die in 1682 en die werd toen al door J. Snyers omschreven als een ‘oudt en fraij stuck wercks’.

Het is dus niet ondenkbaar dat een wagen die veertig jaar eerder reeds als een ‘oud stuk’ werd bestempeld, in 1722 dringend aan vervanging toe was. Livinus De Bie (Lier 1666-na1722),32 zoon van notaris en rederijker Cornelis de Bie, schilderde en verguldde toen niet alleen duivelskleren en -hoofden, maar ook stokken, vaandels en een wagen. Aangezien al dat werk dat hij cum suis, met een heel team van medewerkers dus, uitvoerde, als één grote opdracht werd vergoed,33 ligt het voor de hand daarin een nieuwe Hellewagen te herkennen. Mogelijk waren de eerder vermelde teksten over de zeven hoofdzonden elk op een wimpel of tekstbord geschilderd en ze aan een stok meegedragen door de duivels op de paarden en boven op het hellemonster. Misschien had De Bie het geheel zelfs naar eigen ontwerp uitgevoerd?34 Livinus de Bie was per slot van rekening meester-schilder35 die wel vaker voor de stad werkte.

Daarenboven was het heel goed mogelijk dat Livinus de Bie zich op de oude wagen had geïnspireerd, […] een hellebackus gaende open en toe gelijck oock doen de oogen […] zoals J. Snyers hem omschrijft. De Bie kon die immers met eigen ogen hebben gezien in de Ommegang van 1686 en eventueel ook de jaren voordien. Livinus was overigens vertrouwd met de stukken van de Lierse Ommegang. In 1698 beschilderde hij nieuwe wagens en kemels36 en zijn vader, notaris Cornelis de Bie schreef dat jaar liederen voor de vierheemskinderen op het Ros Beiaard.37 In 1722 was er echter geen sprake van bewegende onderdelen zoals in de beschrijving uit 1682 van de Hellewagen door Joannes Snyers: een hellebackus gaende open en toe, gelijck oock doen de oogen (cf. supra).

In het pamflet t’Samen-spraake tusschen Hans Vlaey en Piet Bult-Sack ten opsichte van’t schaaps, lams, rams, sweesers Omme-ganck, leveren Lierenaar Hans Vlaey en Mechelaar Piet Bult-Sack commentaar op de Ommegang van 1722. In deze schimpdialoog wordt de Hellewagen door de Mechelaar bespot:38  

BULT-SACK
Het is een swaart Schaaps gelijck
Siet het gaapen, ons knap tanden
Raackten daar wel licht tot schanden
Want een plat luys beet’et doot
Al waer sy vyf voeten groot
Siet ik sien het Bachuys oopen
Maar wie is daar in gekroopen
Sijn’t wolsakken, Aap, of Schaap
Die als eene Voose raap
Brayen inden Vlayen Hooven
Oft sijn’t Menschen die m’hier stooven
Voor een siechte, weetge wat
Die laest hadt ons bonte Kat

HANS-VLAEY
‘k Sou voor kap wel Pee-stock seggen
Die ons Hel soo wilt leggen
Scheytte broeck, wel tantafer
Ik gaen strackx by Lusifer
en ik sal doen soo veel klachten

De Hellewagen wordt hier, zij het niet al te duidelijk, omschreven als een wat ongevaarlijk, ridicuul zwart beest met open muil of backhuys waar figuren als apen of schapen (wolsakken) in kruipen en die erin braden als vlaaien of rapen. De vergelijkingen – vlaaien, schapen – zijn natuurlijk verwijzingen naar de spotnamen van de Lierenaars.

Er is van de wagen zelf jammer genoeg geen gedetailleerde beschrijving bekend, maar er bestaat gelukkig wel een prent uit 1722 waarop het hellemonster vrij goed herkenbaar is (cf. infra).

Uit het voorgaande blijkt duidelijk dat de Hellewagen ook in 1722 niet los kan worden gezien van de christelijke boodschap die in de Lierse Ommegang het hele ancien régime prominent aanwezig bleef.

Hellewagens in beeld

Over een precieze voorstelling van de Lierse Hel of Hellewagen tussen het laatste kwart van de 15de eeuw en 1722 beschikken we niet. We moeten ons dus baseren op soms summiere of onvolledige archiefgegevens – vooral stadsrekeningen – of enkele vage beschrijvingen van de Ommegang.
Dankzij de anonieme ets die in 1722 van de Lierse Ommegang is gemaakt, met het bekende onderschrift aensChoUWt Den oMMeganCk Van LIer / VerbeLDt op sYnen VoLLen sWIer – opnieuw met chronogram 1722 – beschikken we voor het eerst over een concreet beeld van de Lierse Hellewagen.39

Anoniem, Aenschouwt den Ommeganck van Lier, ets, 1722 (SAL, Bibliotheca Lyrana, 908.3.0070 VLAEY t’Samen-spraake tusschen Hans Vlaey en Piet Bult-Sack ten opsichte van’t schaaps, lams, rams, sweesers Omme-ganck)
Het Hellemonster uit de Lierse Ommegang. Detail uit: Anoniem, Aenschouwt den Ommeganck van Lier, ets, 1722

De eigenlijke wagen bestond, zoals te verwachten, uit een grote afschrikwekkende monsterkop met opengesperde muil, vervaarlijke, scherpe tanden en één grote naar boven gekromde tand, grote ogen en vermoedelijk ook manen. Achter de muil zien we tralies waarachter mogelijk een figuur – een ‘zieltje’? – of eerder vlammen vaag zichtbaar zijn. Uit deze kerker lijken bovendien vlammen of rook op te stijgen. Boven op de kop was een lang, slangvormig wezen geplaatst met scherpe vogelbek en lange staart met pijlvormig einde, wellicht een impliciete verwijzing naar de slang van het Paradijs. Hierop zat een duivel die met zijn drietand en klauwhaak zonder enige twijfel Lucifer of Satan moest uitbeelden. De kop rustte blijkbaar op een rotsachtige onderkant. De wagen wordt hier – in tegenspraak met de beschrijving van de wagen door Christoffel Drymans – niet getrokken door zes paarden met een duivel erop, maar door slechts twee paarden en één duivel als ruiter. Rond de wagen lopen zeker drie zwarte duivels met hoorntjes en staarten en met een klauwhaak in de hand en achteraan op de wagen schijnt ook nog een duivel te hebben plaatsgenomen.

Vergelijken we de afbeelding op de prent met de veeleer schaarse oudere beschrijvingen van de Lierse Hellewagen, zoals bij Van Grasen en Snyers, dan lijkt het uitzicht van de wagen over de eeuwen heen eigenlijk grotendeels hetzelfde gebleven. In wezen kwam de Hellewagen van 1722 nog geheel overeen met de laatmiddeleeuwse voorstellingen van de hel. Die wijze van voorstelling van de hel is voor het begin van de 18de eeuw echter bijzonder archaïsch. Deze vaststelling ondersteunt de hypothese dat we hier mogelijk toch nog te maken hebben met de oude Hellewagen uit de 16de en misschien nog uit de 15de eeuw.

Ook vertoonde de Lierse Hellewagen enige gelijkenis met Hellewagens in andere steden, met name die uit de Antwerpse en de Gentse Ommegangen, waarvan afbeeldingen bewaard zijn gebleven. Ook daar kende men immers de traditie van de hel in de Ommegang.

De Antwerpse Hellewagen is bekend van zeker vier 17de-eeuwse prenten. Een eerste afbeelding is een houtsnede van Christoffel Jegher (Antwerpen 1596-1652/1653) uit de periode 1637-1652. De prent maakt deel uit van een reeks van vier prenten van de Antwerpse Ommegang (Antwerpen, Museum Plantin-Moretus, PK OP.14096). Een tweede afbeelding staat op een houtsnede van Joannes Christoffel Jegher (Antwerpen 1618-1666/1667), opgenomen in een boek van Christophorus van Essen over de Antwerpse Ommeganck van 1648. Het prentje is daar opgenomen als een van de illustraties bij de verschillende onderdelen van de Ommeganck.40

Joannes Christoffel Jegher, De Hellewagen uit de Antwerpse Ommegang. Houtsnede uit: Chr. van Essen, Antwerpsche omme-gangh oft lust-triumphe, 1649, p. 21

Op deze twee prenten bestaat de hel uit één reusachtige afgrijselijke kop met grote tanden, vleermuisvleugels als oren en vuur of rook die uit de muil en de neusgaten spuit. Een gevleugelde duivel met klauwhaak gaat op zijn kop hevig tekeer en de verdoemde zielen worden in de muil door het vuur verteerd. Rond de kop lopen ook hier duivels. Het was een grote drakenmuil die open- en dichtsloeg.

Een ets van Gaspar Bouttats (Antwerpen 1648-1695) met een gezicht op de Markt met de gehele Antwerpse Ommegang van 1685, biedt een vrij duidelijk beeld van dit hellemonster. Op deze prent, uitgegeven door Hiëronymus Verdussen onder de titel Verbeeldinghe vanden Triumphanten Jaerelycksen Ommeganck van Antwerpen, krijgen we een redelijk goed beeld van dit hellemonster.41 Hier is de Hellewagen eveneens de hekkensluiter van de hele optocht.

Gaspar II Bouttats, Verbeeldinghe vanden Triumphanten Jaerelycksen Ommeganck van Antwerpen, ets, 1685 (Antwerpen, Museum Plantin-Moretus, PK OP.20744)

Ook op deze prent is de hel voorgesteld als een monstrueuze, woeste kop met opengesperde muil en scherpe tanden, grote angstaanjagende ogen en oren in de vorm van vleermuisvleugels. Op zijn kop zit een wild gesticulerende duivel met vleermuisvleugels en een klauwhaak terwijl rook uit zijn muil en neusgaten spuit. Ook hier lopen duivels rond de wagen.

Op de prent De Jarelijkse Triumphante Omgang tot Antwerpen van Jan Luyken (Essen 1649 - Amsterdam 1712) uit 1682 krijgen we een gelijkaardig beeld, alleen blijkt het hellemonster hier een groot, opgezwollen, tonvormig lijf te hebben gekregen (Antwerpen, Museum Plantin-Moretus, PK OP.20883).42  

Al bij al vertonen de Hellewagens van Lier en Antwerpen bijzonder veel overeenkomsten. Mogelijk was er sprake van rechtstreekse beïnvloeding, maar het is evenzeer denkbaar dat beide hellewagens teruggingen op dezelfde traditionele, stereotiepe kenmerken voor hel en duivels.

Ook in Gent reed een Hellewagen mee in de Ommegang. Hiervan is op een 18de-eeuwe volksprent een afbeelding bewaard.43 Ook hier blijken dezelfde clichés van monsterkop met geopende muil en grote tanden en ogen, rook en duivels met klauwhaken in de voorstelling terug te keren.

Anoniem, De Helle uit: Den Gendtsche Ommeganck, houtsnede, begin 18de eeuw (uit: DE MEYER 1962, p. 160).

Zowel in Lier als in Antwerpen en Gent wordt de Hellewagen bevolkt door Lucifer en andere duivels en vaak ook door een of meer zieltjes. Op de diverse prenten worden ze redelijk clichématig uitgebeeld: zwarte creaturen die zwaaien met klauwhaken en drietanden. In Lier lijken ze wel maskers met horentjes te dragen en nauw aansluitende pakken met een staart. De duivel op het paard en Lucifer op de kop dragen een soort overgooier met panden.44

Ook in Antwerpen en Gent droegen de duivels gelijkaardige pakken met horentjes en staarten en waren ze zelfs voorzien van vleermuisvleugels. De duivels in Antwerpen schijnen in 1685 zelfs op bokkenpoten te hebben gelopen. Naar de kleur kunnen we alleen maar gissen. Op de prenten zijn ze vanzelfsprekend zwart voorgesteld, maar wellicht droegen ze toch kleurrijke pakken zoals in de Leuvense Ommegang van 1594 waar de duivel die door Sint-Michiel aan een touw werd voortgedreven, een groen masker met horentjes droeg en gekleed was in een rood hemd en dito broek met staart en belletjes aan de riem.45

Twee eeuwen leegte

Na de grootse Ommegang van 1722 bleek de tijd van feesten voorbij. De stad werd gemaand op de centen te letten en de Ommegang zou de hele 18de eeuw niet meer uitgaan. In 1732 hielp de stad wel nog mee aan de processie van de paters predikheren voor de viering van de 100-jarige aanwezigheid van het beeld Onze-Lieve-Vrouw van Gratie in de Kluizekerk.

Daarvoor leende de stad enkele reuzen en andere onderdelen van de Ommegang uit. En ook voor de inhaling van twee Lierse primussen van de universiteit van Leuven (1740 en 1761) kwam de reuzenfamilie nog naar buiten, samen met enkele fabeldieren waaronder het Ros Beiaard en enkele praalwagens. Van de Hellewagen is dan geen sprake meer.46

Het lijkt erop dat de meeste dieren en wagens in de loop van de eeuw verdwenen of zodanig verwaarloosd waren dat ze onbruikbaar werden.

Afgezien van de Ommegang van 1722 en de drie andere hiervoor genoemde gelegenheden zijn de Lierse reuzentrein en de ommegangswagens en -dieren in de hele 18de eeuw niet meer naar buiten gekomen. In de eeuw van de Verlichting waren ommegangen, kermissen en andere volksfeesten overigens in de hele Oostenrijkse Nederlanden sterk op hun retour en ook de overheid moedigde deze vaak oude gebruiken niet bepaald aan.47

In de 19de eeuw nam men de draad weer op, maar het karakter van de Ommegang veranderde ingrijpend. Vanaf dan hing de Ommegang in de eerste plaats samen met de nieuwe 25-jaarlijkse Sint-Gummarusfeesten en inhoudelijk kwam de nadruk meer op het leven van Sint-Gummarus en de geschiedenis de stad te liggen. Die traditie startte in 1815, maar pas vanaf 1840 zien we de reuzen in dat kader opnieuw verschijnen in het gezelschap van andere, nieuwe praalwagens. In geen van de optochten tijdens de Sint-Gummarusfeesten van 1840,48 186549 en 189050 is er sprake van een Hellewagen.

Vanaf het midden van de 19de eeuw werden er ook programmaboekjes gedrukt en werden de Ommegangen en praalstoeten aangekondigd in de weekbladen. Vermits deze nieuwe, bijkomende bronnen vooraf werden gedrukt, bestaat er – zoals nog zal blijken – nooit zekerheid of de vermelde wagens en onderdelen ook werkelijk in de optocht zijn verschenen of dat er zich onverwachte wijzigingen hebben voorgedaan.

Daarnaast beschikken we ook over foto’s van verschillende Ommegangen, maar die hebben, op enkele uitzonderingen na, pas betrekking op Ommegangen uit de 20ste eeuw en bovendien blijken die foto’s soms moeilijk te dateren.

De Ommegang met de Reuzentrein, verenigingen en praalwagens werd sindsdien ook georganiseerd voor profane gelegenheden, zoals het bezoek van koning Leopold I in 1856, de prijsuitreiking van de Internationale Toneelprijskamp in 187151 en de Praalstoet die in 1919 georganiseerd werd naar aanleiding van de bevrijdingsfeesten na de Eerste Wereldoorlog.52 In geen van die Ommegangen was de Hellewagen van de partij.

Terugkeer van de Hellewagen in 1930?

Blijkbaar is het idee voor een Hellewagen aan het begin van de 20ste eeuw opnieuw opgedoken. Voor de Praalstoet naar aanleiding van de jubelfeesten van Sint-Gummarus in 1915 had de Lierse geschiedschrijver Jules Van In een heel project uitgewerkt.53 In het derde deel, ‘Herinnering aan vroegere Ommegangen’ was, naast enkele folkloristische thema’s zoals “Het Luilekkerland” en “Lieden die door den wereld kruipen’, uiteraard het Ros Beiaard, de hele reuzenfamilie, een kemel met een cupido, het Schip van ’s Lands Welvaren en ook een Helle voorzien. Die Helle zal vermoedelijk wel een Hellewagen moeten zijn geweest en werd bevolkt door ‘Heer Lucifer, een zieltje en 12 duivels’. Het is duidelijk dat Jules Van In zich hiervoor had laten inspireren door de bijdragen die Ernest Mast ter gelegenheid van de vorige Ommegang van 1890 had gepubliceerd. Door het feit dat in augustus 1915 de Eerste Wereldoorlog is uitgebroken en Lier einde september en begin oktober voor een groot deel werd verwoest, zijn de plannen voor de praalstoet nooit gerealiseerd.

Voor de Pallieterstoet van 1928, die grotendeels was geïnspireerd op het werk van Felix Timmermans en waaraan de auteur zelf had meegewerkt, was aanvankelijk een wagen voorzien met een dolfijn. Timmermans had die nodig voor de uitbeelding van zijn groep ‘De Dolfijnen’ uit zijn roman Anna-Marie. De auteur heeft alle moeite gedaan om de Dolfijn, die deel uitmaakte van de Antwerpse ommegang, naar Lier te krijgen, maar dat schijnt hem slechts in laatste instantie gelukt te zijn. In de eerste uitgang op 11 juni is er geen dolfijn te bespeuren. Pas tijdens de tweede uitgang van de Pallieterstoet op 17 juni is de Antwerpse Dolfijn meegereden.54 Ook in deze Folkloristieken Stoet met de hele Reuzentrein was weer geen Hellemonster te bekennen.

De Dolfijn uit de Antwerpse Ommegang tijdens de tweede uitgang van de Pallieterstoet in 1928 (Archief Lier, SLI001002387)

Naar aanleiding van de Pallieterstoet van 1928 zijn er onder meer door Julius Van In enkele bijdragen verschenen over de Lierse reuzen en de geschiedenis van de Ommegangen. In ‘De Liersche Ommeganck’, het tweede deel van het boekje De Liersche Reus en zijn gevolg uit 1928 nam hij een sterk verkleinde reproductie op van de prent uit 1722 ‘Aenschouwt den Ommeganck van Lier, verbeldt op synen vollen swier’. Hierop zijn vrijwel alle reuzen en wagens uit de Ommegang afgebeeld.55 Zoals eerder vermeld, is ook de Hellewagen erop te zien. Sindsdien was die prent bij de geïnteresseerden goed bekend.

In de aanloop naar het jubelfeest van 100 jaar onafhankelijkheid van België werden er plannen gesmeed om opnieuw een Ommegang te organiseren. Die zou plaatsvinden tijdens de festiviteiten naar aanleiding van de inhuldiging van de Zimmertoren met de Jubelklok. Men vatte toen blijkbaar opnieuw het idee op de oude Hellewagen te reconstrueren en mee te laten rijden. Wie dit initiatief heeft genomen of van wie de opdracht uitging – het stadsbestuur, het comité dat de inhuldiging van de Zimmertoren organiseerde of de Oudheidkundige Kring ‘Lier vroeger en nu’ / Gidsenbond – blijft door het ontbreken van een archiefdossier vooralsnog onduidelijk.
Alles wijst er wel op dat de Lierse duivel-doet-al Bernard Janssens hiervoor werd ingeschakeld om er zijn schouders onder te zetten. Wellicht werd ook Felix Timmermans betrokken: van de Lierse schrijver is namelijk een aquarel bekend, een ruwe schets van wat de nieuwe Hellewagen kon worden.

Felix Timmermans, Schets voor de Lierse Hellewagen, aquarel, ca. 1930 (verzameling Zimmertorencomité, Lier) 2026

Hij inspireerde zich hiervoor zonder enige twijfel op wat er van de oude Hellewagen op de pas boven water gekomen prent te zien was, maar maakte er zijn eigen vrije interpretatie van. Timmermans beperkte zich niet tot de schrikwekkende kop met de opengesperde muil en vooruitstekende tand, maar maakte er een pastiche van door de krulstaart van de draak of vis op de kop waarop de duivel zat, achter aan de kop te bevestigen. Daarnaast voegde hij twee poten en schubben toe. Het tralievenster waarachter het vuur van de hel was te zien, verdubbelde hij zodat ook in het onderstel een inkijk in de hel te zien was.

Van dit nogal moeilijk uit te voeren idee moest Bernard Janssens dan op een redelijk korte termijn een technisch haalbare Hellewagen proberen te maken. Het resultaat was een Hellewagen zoals we die in grote lijnen nog steeds kennen: een hybride monster met een wijd opengesperde muil en bloedrode keel, vervaarlijke tanden, twee horens, een geschubd vissenlijf met pijlstaart en twee poten met grote klauwen. De extra tand verhuisde naar het voorhoofd van het monster. In de beschildering van de doeken die de wielen van het onderstel bedekken, zijn onder de tralies die een blik in de hel moeten gunnen, zelfs doodsbeenderen te herkennen.

Van de pas afgewerkte wagen bestaat jammer genoeg enkel een niet-gedateerde foto waarop Bernard Janssens samen met zijn medewerker Jan De Belder, Marcel Cordemans en schepen Jules Van Hoof trots voor het kunstgewrocht poseert. De foto werd genomen op een binnenplaats, mogelijk die van de Nazarethrefuge aan de Blokstraat. We blijven echter in het ongewisse wanneer de klus geklaard was. In de literatuur wordt doorgaans aangenomen dat dit in 1930 gebeurde, al wordt soms ook 1928 als bouwjaar vermeld.56

Bernard Janssens (geheel rechts) poseert samen met (v.l.n.r.) medewerker Jan De Belder, Marcel Cordemans en schepen Jules Van Hoof voor de pas afgewerkte Hellewagen, niet gedateerde foto (ca. 1930) (Foto Bernard Janssens) (Archief Lier, SLI001008104)

Het was alleszins de bedoeling dat de Hellewagen deel zou uitmaken van den Zinnebeeldigen en Folkloristischen Stoet-ommeganck, ook wel de Pallieterstoet genoemd, op 6 en 13 juli 1930. In het feestprogramma zoals dat door het stadsbestuur aan de pers was meegedeeld, werd aangekondigd dat in deel V van de stoet de eeuwenoude Oude Hellewagen zou meerijden in het gezelschap van het Ros Beiaard, de Reus, Reuzin, Kamenierster en reuzengevolg.57 Hierbij moeten we niet verstaan dat het om een oude wagen ging, maar wel een replica van de Hellewagen die al van oudsher in de Ommegang meereed.

Op de dag van de eerste ‘uitgang’ wist Ons Lier zelfs mee te delen ’t Ros Beiaard met de 4 Heemskinderen, Reus en Reuzin en geheel ’t Reuzengevolg, met er achter de laatste nieuwigheid: een Hellewagen van voor honderde jaren, met vinnige, vranke duivels en duivelinnen.58 En Het Laatste Nieuws kon zelfs verzekeren dat de oude hellewagen water en vuur [zal] spuiten en de duiveltjes zullen het monster werk geven.59 Na afloop van de stoet van 6 juli repte de journalist van Het Handelsblad met geen woord over de nieuwe oude Hellewagen: Tot slot volgt de reuzenfamilie, Reus en reuzin zijn bewust van hun hoogen rang en waardigheid. De Kamenierster met Kinnebaba, Broer en Zus, Grooteva en Grootemoe zijn niet zo ingetogen en zijn belust op vermaak. Dit alles maakt een herrie, een onbeschrijfelijke uitbarsting van vreugde en gewoel, met Ros Beyaard, voorafgegaan door lustige dansers, heeft werkelijk een verheven uitzicht. ’t Is van een puur ras en het allerbeste wat wij op dit gebied kennen. De stoet is heen, verdwijnt langs de Vischmarkt, den weg van alle wegen op, voorbij.60

Aangezien we vooralsnog ook geen foto hebben gevonden van het Hellemonster tijdens deze Pallieter- of Zimmerstoet van 1930 blijven we in het ongewisse over hoe deze wagen in de optocht precies werd gebruikt, waarvoor hij precies geconcipieerd werd, hoe de duivels eruitzagen, wat de figuur in het stoeltje boven op de kop uitrichtte, zelfs niet of het Hellemonster wel degelijk in de Zimmerstoet heeft meegereden. Het blijft voorlopig een onopgelost raadsel.

Wanneer de Hellewagen dan wel zou gemaakt zijn, bij welke gelegenheid en in wiens opdracht, blijft dus nog voorwerp van onderzoek. Wanneer er voorbereidingen worden getroffen voor een nieuwe uitgave van de 25-jarige Sint-Gummarusfeesten voor 1940, duikt de Hellewagen opnieuw op. In de Schets Ommeganck 194061 uit mei 1939 staat de Hellewagen, samen met de Reus en familie en gevolg, het Ros Bayaard, de paardjes, een Kemel een cupido dragend en de Drie Koningen, vermeld in het zesde deel Oude Folklore. 4. Hellewagen. Daar deze Ommegang door de oorlogsomstandigheden nooit heeft plaatsgevonden, zijn er uiteraard ook geen details, beschrijvingen of foto’s van bekend. Mogen we uit deze nieuwe vermelding afleiden dat de Hellewagen ondertussen, in de voorbije tien jaar dan uiteindelijk toch zou zijn gebouwd?

Nieuwe functies en nieuwe interpretaties

Na de Tweede Wereldoorlog lijkt het erop dat het begrip Hellewagen of Hellemonster grotendeels vervaagd is. De naam duikt gedurende een hele tijd niet meer of nog slechts toevallig op. Eén ding is echter wel zeker: de nieuwe Hellewagen zoals we die nu nog kennen, bestond echt. Het hybride monster wordt blijkbaar niet meer begrepen en de nadruk of interpretatie komt meer en meer te liggen op het ludieke aspect van het waterspuitende kindje op de kop en de kinderen die in en uit de wagen kropen. Voor de wagen ontstonden dan ook verschillende nieuwe benamingen, die op deze veranderde interpretatie en het nieuwe gebruik lijken te zijn geïnspireerd.

De eerste keer dat de Hellewagen na 1945 met zekerheid weer in een optocht verscheen, was tijdens de praalstoet Lierse Sier en Zwier op 6 juli 1952. In de gelijknamige brochure is de wagen onder de naam De Draak opgenomen als nummer 60 onder de afdeling VI. De Oude Ommegang in het gezelschap van het Ros Bayaard, de Lierse Reuzenfamilie, het Schip van ’s Lands Welvaren en blijkbaar twee nieuwe ‘fabeldieren’: de Olifant en de Kameel.62 Voor zover bekend zijn er van de wagen in deze stoet geen foto’s bewaard gebleven.

Ook in de Jubileum-cavalcade ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de Zimmertoren en van de 125-jarige onafhankelijkheid van BelgiëJ, die plaatsvond op 26 juni 1955 was de Draak in deel V onder nummer 69 van de partij. Op een zwart-witfoto zien we op de kop een kindje met tuinslang63 en naast de wagen loopt een duiveltje.64

De Hellewagen in 1955 tijdens de Jubileum-cavalcade naar aanleiding van 125-jaar België en 25-jaar Zimmertoren (Archief Lier, SLI001001038)

De wagen werd ook in 1959 opgevoerd in de SOLO-cavalcade naar aanleiding van de week van de SOLO-pannekoek. De wagen heeft nu een lichtgrijs geschilderd onderstel, wordt bemand door zwart-rood geklede duiveltjes en op de kop zit opnieuw een knaapje dat met een tuinslang het publiek natspuit.

De Hellewagen tijdens de SOLO-cavalcade van 1959 - Kartuizersvest (Archief Lier, SLI001015104)

Een gelijkaardig beeld van de wagen zien we in 1960 tijdens de Zimmer Cavalcade die georganiseerd werd naar aanleiding van de Inhuldiging van de Wonderklok en het Nieuw Toeristisch Paviljoen op 26 juni 1960. In het programmaboekje is er traditioneel weer een afdeling De Oude Ommegang (VI) waar als nummer 58 de Draak figureert tussen de andere figuren en wagens van de ommegang die in vorige optochten ook al meegingen. Merkwaardig genoeg zijn het hier geen duiveltjes, maar matroosjes die de Draak bemannen, net als in 1962 toen er een stoet zou zijn uitgegaan ter gelegenheid van de viering van Lier 750 jaar stad.65

De Hellewagen in de Zimmer Cavalcade van 1960 (Archief Lier, SLI001009617)
De Hellewagen in 1962 naar aanleiding van de viering van Lier 750 jaar stad (Archief Lier, SLI001001166)

Tijdens de groots opgevatte Sint-Gummarusfeesten van 1965 – de eerste die effectief konden plaatsvinden sinds 1890 – waren er twee optochten gepland: de Pallieterstoet (3 en 10 oktober) en een kerkelijk deel, de Kunstprocessie (17 oktober). In het vijfde deel van de Pallieterstoet, de Reuzentrein, reed net als in de vorige uitvoeringen opnieuw de Draak mee tussen de andere reuzen en wagens van de Ommegang. Opnieuw zat er een kindje met tuinslang op de kop, terwijl in zwart en rood geklede duiveltjes in en uit de wagen kropen.66

De Hellewagen in de Pallieterstoet van 1965 (Archief Lier, SLI001001172)

Ter gelegenheid van de 80ste verjaardag van Louis Zimmer ging in 1968 opnieuw een stoet uit. Uit foto’s blijkt dat de wagen, die toen blijkbaar de Walvis of de Dolfijn werd genoemd, in de optocht meereed. Op de kop zat vanzelfsprekend weer een kindje, op de beeldbank Kempens Erfgoed geïnterpreteerd als Neptunus, met tuinslang. Zwartgeklede duivels met kapmantels vergezellen het monster.

De Hellewagen in 1968 Archief Lier, (Foto Jan Van Beirs) (Archief Lier, SLI001026570)

En ook tijdens de Belfortfeesten in 1969, georganiseerd naar aanleiding van de verjaardag 600 jaar Liers belfort, was de Draak of Dolfijn, samen met de Reuzenfamilie weer van de partij. De bemanning was toen een kopie van 1968.

De Hellewagen in 1969 tijdens de Belfortfeesten. (Lier, verzameling Cool)

In het Folklorejaar 1974 ging er in Lier opnieuw een folklorestoet uit, deze keer onder de naam Lierse Volksalmanak. Op het monster zat traditioneel een kindje met een tuinslang. Het onderstel van de wagen is nu geheel witgeschilderd met blauw bovenvlak met golfjes, waardoor het hellemonster nu helemaal een zeemonster – walvis of dolfijn – is geworden. Duiveltjes zijn voor zover de kwaliteit van de afbeeldingen het toelaat, niet te zien, maar mogelijk waren ze er wel.

De Hellewagen in de Ommegang ‘Lierse Volkskalender’ tijdens het Folklorejaar 1974 (Archief Lier, detail uit SLI001012208)

Een volgende gelegenheid kwam er in 1980 met de Zimmertorencavalcade op 21 en 28 september 1980. Ook toen was er een afzonderlijk deel ‘III Lierse Reuzentrein’. De Dolfijn met Cupido kreeg hier de 37ste plaats in de hele cavalcade. Voor die gelegenheid waren de doeken van het onderstel heel lichtblauw geschilderd met een bovenzijde in donkerder blauw. In het zwart geklede duiveltjes met rode horentjes bevolkten de wagen.

De Hellewagen in de Zimmertorencavalcade van 1980 (Archief Lier, SLI001022899)

In 1988 kondigde zich naar aanleiding van de honderdste verjaardag van Louis Zimmer opnieuw een Zimmerjaar aan. Op 4 en 11 september had de stad Lier een Folklorestoet met Lierse Reuzentrein georganiseerd. In de programmabrochure stond de Dolfijn met Cupido op de 19de plaats. Net als in 1980 zorgde de Koninklijke Lierse Turnkring voor de rode duiveltjes met zwarte mantels. Merkwaardig genoeg werd de plaats van Cupido nu ingenomen door een duivel. De doeken en de bovenzijde van het onderstel waren toen helemaal in een lichtblauwe kleur geschilderd.

De Hellewagen in de Ommegang naar aanleidng van het Zimmerjaar 1988 (Archief Lier, SLI001012730)

De 25-jaarlijkse Sint-Gummarusfeesten van 1990 gingen vanzelfsprekend weer gepaard met – naast een kerkelijke Sint-Gummarusprocessie en andere activiteiten – een wereldlijke optocht, de Sint-Gummarusommegang. Deze laatste bestond, zoals al meer dan een eeuw gebruikelijk, uit verschillende onderdelen: het leven van de patroonheilige, de geschiedenis van de stad en andere culturele items. Het afsluitende deel VI Uit de aloude Lierse Ommegang of de Reuzentrein bestond uit de vaste onderdelen, zoals de Reuzenfamilie, het Ros Beiaard en de huppelpaardjes, de Maagd van Lier en vanzelfsprekend onder nummer 48 De Hellewagen, met een schelmse cupido en plagende duivels. Voor het eerst sinds 1940 werd nu de oude, eigenlijke naam van de wagen weer gebruikt. Alleen vertaalde dit zich niet helemaal in het uitzicht ervan. De doeken en de bovenzijde van het onderstel waren nu geschilderd in iets wat water of zee moest oproepen, blauw met witte schuimvlokjes, en op de kop bleef een Cupido de toeschouwers natspuiten terwijl duivels met lange zwarte mantels en rode horentjes het monster bevolkten.

De Hellewagen in de Ommegang tijdens de Sint-Gummarusfeesten van 1990 (Archief Lier, SLI001012914)

Tijdens de volgende 25-jaarlijkse Sint-Gummarusfeesten van 2015 ging ook de Hellewagen mee uit. Hoewel het concept van de ommegang zelf grondig gewijzigd was – met diverse evenementen en historische taferelen verspreid over de stad – bleef de kern van de eigenlijke ommegangsstoet grotendeels identiek. In de programmabrochure Gummarus-feesten Lier bestond de slotgroep De Oude of Historische Lierse Reuzentrein ook nu uit de Lierse Reuzenfamilie, het Ros Beiaard, het Schip van ’s Lands Welvaren, de Maagd van Lier op de Leeuw en uiteraard de Hellewagen opnieuw onder zijn oude naam. Duiveltjes bewoonden nog steeds de Hellewagen, maar Cupido of Neptunus is sedertdien vervangen door een klein duiveltje. Daarmee sluit men opnieuw aan bij de traditie en vermoedelijk ook bij de oorspronkelijke bedoeling van de wagen, al blijft ook dit duiveltje plagerig het publiek natspuiten. Het onderstel van de wagen zelf kreeg een make-over met licht- en donkerblauwe golfjes.

De Hellewagen in de Ommegang tijdens de Gummarusfeesten van 2015 (Foto Jef Vingerhoets)

De laatste keer dat de Hellewagen is buitengekomen dateert van 2022. De in 2015 in het leven geroepen nieuwe traditie van een afgeslankte tussentijdse Ommegang om de vijf jaar moest door covid/corona al meteen met twee jaar worden uitgesteld, van 2020 naar 2022. De wagen verscheen toen ook in deel 3, de Reuzentrein, samen met de andere vaste onderdelen maar nu ook aangevuld met een nieuw fabeldier, de Lierelei. De Hellewagen zag er hetzelfde uit als zeven jaar voordien en werd bevolkt door rood geklede duiveltjes met zwarte capes, die op, rond en in de Hellewagen liepen. Ook op de kop van het monster zat nu opnieuw een duiveltje, maar het bleef het publiek natspuiten.

De Hellewagen in 2022 (Foto: Mon Rottiers)

Draak, Dolfijn, Walvis of Hellewagen: naamsverwarring troef

Sinds begin jaren 1950 is de Hellewagen opnieuw een vast onderdeel van de Lierse Ommegang geworden, zij het onder verschillende officiële en officieuze benamingen. De functie en betekenis ervan wisselden al naargelang van het thema van de optocht. De optochten waarin de Reuzenfamilie en de wagen en dieren meegingen kregen immers een totaal ander karakter. Religieuze connotaties zoals die tijdens het ancien régime bestonden, waren nu geheel verdwenen. De oude Reuzenfamilie, de wagens en ‘fabeldieren’ werden nu ingezet voor hoofdzakelijk profane gelegenheden en hadden een overwegend folkloristisch karakter waarin historische gegevens nauwelijks of geen rol meer speelden. Niet helemaal verrassend is ook dat de Lierse Reuzentrein, inclusief de Hellewagen niet minder dan vier keer werd opgenomen in een stoet of cavalcade rond Louis Zimmer of de Zimmertoren (1955, 1960, 1980 en 1988), één keer in een vermoedelijk commerciële optocht (1959) en op zijn minst twee keer in een louter folkloristische manifestatie (1952 en 1974). Zelfs bij de Ommegangen van 1965, 1990 en 2015 naar aanleiding van de 25-jaarlijkse Sint-Gummarusfeesten, verdween de religieuze component ook wat naar de achtergrond doordat de Ommegang als een aparte, haast profane manifestatie of stoet naast de kerkelijke Sint-Gummarusprocessie werd georganiseerd, Dit proces was al in de 19de eeuw ingezet, toen de ommegangen of praalstoeten van 1840, 1865 en 1890 ook al gescheiden van de processie en op andere dagen werden gehouden, maar er bleef niettemin toch een relatie met het patroonsfeest bestaan. Het hoeft geen betoog dat de aanwezigheid van de Reuzenfamilie – en al zeker de Hellewagen – niet in alle gevallen een inhoudelijke band had met de gelegenheid zelf.

Uit de verschillende namen die de wagen kreeg toebedeeld – Draak (1952, 1955, 1960, 1965) of Dolfijn (1980, 1988) en de stelselmatige aanwezigheid van een waterspuitend knaapje op de kop van het monster – vaak Cupido of Neptunus genoemd – blijkt dat de connotatie met de hel naar de achtergrond was verdwenen, ook al bleven de duiveltjes op, in en rond de wagen lopen en het publiek plagen met een marot.67

De marotten van de duivels, 2015(?) (foto LGG)

De klauwhaken uit het ancien régime waren duidelijk verleden tijd. Dat er een duidelijke tegenspraak bestond tussen het kindje dat zeker sinds 1952 water spoot en de duiveltjes die in vrijwel alle ommegangen sedert 1952 steevast van de partij waren, was blijkbaar voor niemand een probleem.

De verwarring werd nog groter toen – afgezien van de rode muil – alle verwijzingen naar de hel verdwenen. De doodsbeenderen, rotsen en andere motieven die oorspronkelijk op de bekleding van het onderstel waren geschilderd, werden overschilderd in een lichte kleur, mogelijk grijs of lichtblauw. Het waterspuitende kindje, de golfjes, de kleuren en op een bepaald moment zelfs de in en uit de wagen lopende matroosjes (1962) maakten er helemaal een dolfijn of een walvis van. Dit soms zelfs in overduidelijke tegenspraak met de naam in de brochure zelf.

Hoe dan ook, de contradictie bleef bestaan. Het vervaarlijke hybride monster met bloedrode muil, scherpe tanden, schubben, pijlstaart en poten is geen vis, geen reptiel, geen zoogdier, geen dolfijn of walvis en ook geen draak, al doet hij wel een beetje aan alles tegelijk denken.

Het probleem werd blijkbaar opgevangen door van de draak ook een walvis of dolfijn te maken. Daartoe werd de bekleding van het onderstel van circa 1955 tot 1980 in een neutrale grijze of lichtblauwe kleur geschilderd en vanaf 1988 in verschillende blauwtinten die golven moesten suggereren. Zo kon het monster meteen ook als zeemonster doorgaan. Een verband met het Bijbelse zeemonster Leviathan of met de walvis die Jonas opslokte en na drie dagen weer uitspuwde was dan ook een van de mogelijke plausibele verklaringen.68

De benaming Dolfijn – die mogelijk zoals hoger reeds gezegd nog een relict is van de poging van Felix Timmermans om de Antwerpse dolfijn in 1928 naar Lier te halen – hielp dan weer het kindje met de waterslang te verkopen als een cupido of beter nog als de zeegod Neptunus. Die verklaring valt weleens in de wandelgangen te horen en komt ook voor op de beeldbank van Kempens Karakter.69

Een voorlopig onopgeloste vraag is of Bernard Janssens in zijn concept inderdaad een waterspuitend kindje op de kop van het hellemonster in gedachten had, dan wel een duivel met drietand (en dus zonder tuinslang) zoals op de schets van Timmermans – in navolging van de prent van 1722 – te zien is. Dit laatste lijkt het meest waarschijnlijke en het kindje met de tuinslang zou dan pas in de loop van de jaren 1950 verschenen zijn, op een moment dat de functie en het karakter van de wagen grondig waren gewijzigd.

Hoewel dit contradictorisch is met het Hellemonster, kan dit gegeven een verklaring zijn waarom de wagen later Dolfijn (en een enkele keer ook Walvis) is gaan heten en het kindje als een Cupido of Neptunus werd gezien.

Hoewel de Cupido sinds 2015 terecht is vervangen door een duiveltje, blijft het de toeschouwers vrolijk natspuiten. Misschien kan er voor de toekomst nagedacht worden om dit duiveltje geheel volgens de initiële bedoeling van Felix Timmermans en Bernard Janssens en in de geest van de traditie gewoon weer van een drietand te voorzien, al gaat dan wel een deel van het spektakel verloren.

De Hellewagen in 2026

Naar aanleiding van de nieuwe ‘kleine’ Ommegang van 2026 heeft de Hellewagen een opfrisbeurt gekregen. Het was de bedoeling de Hellewagen weer in ere te herstellen. Zo moest onder andere het geschilderde water weer vervangen worden door een rotsachtig uitzicht in grijze en roestbruine kleuren opdat het hellemonster er weer als een hellemonster zou uitzien en er geen verwarring meer zou kunnen bestaan met een dolfijn of walvis. De golfjes op het bovenvlak verdwenen weer en het doek kreeg een gelijkaardige suggestie van rotsen. De zware, stijve doeken achter de tralies, de afgelopen decennia vaak in een lichte – grijze of blauwe – kleur geschilderd, zijn nu vervangen door een dunne doek die kan wapperen en die beschilderd is met vlammen die ook uitwaaieren op het doek van de wagen zelf en zo een suggestie van het hellevuur geven. De ingrepen zijn uitgevoerd door restauratrice Geneviève Hardy. Boven op de kop van het hellemonster blijft een duiveltje het publiek traditiegetrouw natspuiten.

De Hellewagen is al sinds 2013 definitief opgenomen in de erfgoedcollectie van de stad Lier (Stadsmuseum, inventarisnummer B2819) en heeft zijn louter folkloristisch etiket achter zich gelaten.

De Hellewagen, toestand september 2026

Stadsmuseum Lier en het LGG maakten op basis van dit artikel ook een filmpje over de Hellewagen.

Download het artikel

Bewaar je dit artikel graag apart op je computer? Of lees je een bijdrage toch liefst nog op papier? Alle artikels zijn beschikbaar in een aangename pdf.

Download het artikel

Nadine Janssen (°1957) studeerde kunstwetenschappen aan de KULeuven en was werkzaam in diverse musea. Als lid van de Gezellen van ’t Groot Volk, de Lierse reuzenvereniging, heeft zij zich vooral toegelegd op historisch onderzoek en conservatie van de historische Lierse reuzentrein.

Marc Mees (°1957) studeerde kunstwetenschappen aan de KULeuven en was tot voor kort werkzaam als adviseur bij de dienst Erfgoed van de provincie Antwerpen. Van hem verschenen al verscheidene publicaties over het Lierse erfgoed en de geschiedenis van de stad.

Mathias Vermant (°1990) is geboren en getogen Lierenaar en lid van het LGG. Zijn interesse in geschiedenis, mens en maatschappij loopt als een rode draad door zijn werk en vrije tijd. Zo doet hij onderzoek binnen het LGG, was hij onder meer leraar geschiedenis en studeerde hij uit persoonlijke interesse wijsbegeerte.

Els Verstreken (°1956) studeerde kunstwetenschappen aan de KULeuven. Ze is gepensioneerde leerkracht kunstgeschiedenis in het DKO. Als vrijwilliger is ze al jaren actief binnen het LGG en bij andere erfgoedprojecten binnen de stad.

Download het artikel

Bewaar je dit artikel graag apart op je computer? Of lees je een bijdrage toch liefst nog op papier? Alle artikels zijn beschikbaar in een aangename pdf.

Download het artikel

Nadine Janssen (°1957) studeerde kunstwetenschappen aan de KULeuven en was werkzaam in diverse musea. Als lid van de Gezellen van ’t Groot Volk, de Lierse reuzenvereniging, heeft zij zich vooral toegelegd op historisch onderzoek en conservatie van de historische Lierse reuzentrein.

Marc Mees (°1957) studeerde kunstwetenschappen aan de KULeuven en was tot voor kort werkzaam als adviseur bij de dienst Erfgoed van de provincie Antwerpen. Van hem verschenen al verscheidene publicaties over het Lierse erfgoed en de geschiedenis van de stad.

Mathias Vermant (°1990) is geboren en getogen Lierenaar en lid van het LGG. Zijn interesse in geschiedenis, mens en maatschappij loopt als een rode draad door zijn werk en vrije tijd. Zo doet hij onderzoek binnen het LGG, was hij onder meer leraar geschiedenis en studeerde hij uit persoonlijke interesse wijsbegeerte.

Els Verstreken (°1956) studeerde kunstwetenschappen aan de KULeuven. Ze is gepensioneerde leerkracht kunstgeschiedenis in het DKO. Als vrijwilliger is ze al jaren actief binnen het LGG en bij andere erfgoedprojecten binnen de stad.

Eindnoten
  1. Overzichten van de geschiedenis van de Lierse ommegang zijn te vinden in MAST 1894, p. 137-144; VERMEIREN 1911, p. 128-137, 160-166, 169-179, 210-220 en 231-240; VERMEIREN 1928, p. 34-39 en 55-60; VAN IN 1928; LENS 1974, p. 980-984.
  2. Voor de evolutie van de voorstelling van de hel tijdens de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd, zie o.m.: VAN BOHEEMEN, 1994, p. 59-73.
  3. MEURANT 1972, p.153-158.
  4. Archief Lier (voortaan afgekort SAL),  450, Stadsrekening 1475-1476, fol. 27r: It[em] bet[aelt] noch vand[er] hellen die inde voirig[he] processie reet […].
  5. VERMEIREN 1911, p. 231 en 232.
  6. VAN GRASEN 1614, fol. 112 v.
  7. VERMEIREN 1911, p. 232. – Overigens verschenen duivels ook in een andere context in de Lierse Ommegang. Met name in de groep of wagen waarin Sint-Michiel  werd uitgebeeld terwijl hij de afvallige, opstandige engelen naar de hel verdreef, kwam Lucifer met zijn duivels uiteraard ook voor. Zie bijvoorbeeld: VERMEIREN 1911, p. 233: Sint-Michael en duivels (1475); BERGMANN 1935, p. 145: Sint-Michiel, de Duivel en vier tuimelaars.
  8. SAL 450, Stadsrekening 1475-1476, fol. 27r: It[em] bet[aelt] noch vand[er] hellen die inde voirig[he] processie reet, den duvels die tvier spuyden en[de] noch and[er]en, Lauken Scotelmane met zyne[n] p[eer]de diese vuerde en[de] bet[aelt] van placken en[de] te makene -- xiij sc v ten. Zie ook VERMEIREN 1911, p. 233-234.
  9. VAN GRASEN 1614, fol. 113v. Zie ook: BERGMANN, 1935, p. 145; LENS 1974, p. 981-982.
  10. SAL, 451, Stadsrekening 1482-1483, p. 42: Item van den stucke geheten de helle metten p[er]sonagien vande duvels daer toebehoe[re]nde en[de] coste metten wagen diese vuerde, tsam[en] vij st. vij d. vi -.
  11. SAL, 597, Clapboeck 1508-1509, fol. 108 : Ierst bet[aelt] Henric vande Wouwer van iij ellen lynwaets o[m] de couss[en] aff te maken[en] voe[re] de duyvels die ind[en] o[mme]ganck  gaen, elcke elle v g[ulden] en[de] van de selve cousen te mak[en]en iij g. xviij st., tsam[en]  --  xix g. xi st.
  12. SAL, 456, Kladboek 1523-1524, fol. 153r: VIII Coesterten tot de duyvels.
  13. Zie o.m. SAL, 604, Clapboeck 1554, fol. 164r: Item Peteren Cruckens ten om[me]gange de helle te v[er]waer[en]en; SAL, 606, Clapboeck 1556, fol. 163r: Item Peteren den Causydere van de helle te verwarenne. Idem in: SAL, 607, Clapboeck 1557, fol. 163r-v; SAL, 608, Clapboeck 1558, fol. 162v; SAL, 609, Clapboeck 1559, fol. 163v; SAL, 610, Clapboeck 1560, fol. 163v. Zeker sinds 1568 was het aan Cornelis Verelst om de hel te begeleiden. SAL, 611, Clapboeck 1568, fol. 158v: Item Cornelis Verelst om der helle te verwaeren[ne]; Idem in: SAL, 612, Clapboeck 1569, fol. 156v.
  14. SAL 451, Stadsrekening 1482-1483, fol. 42 r: Item van den stucke geheten de helle metten p[er]so//nagien vande duvels daertoe behorende ende costen metten wagen dese vueren tsam – vij st.
  15. VAN BOHEEMEN, p. 60-63. – De voorstelling van de angstaanjagende kop met tanden en manen kan ook beïnvloed zijn door het Bijbelse verhaal van Samson die een leeuw verscheurde (Rechters 14: 5-6). Het thema werd in de Middeleeuwen gezien als een voorafbeelding van Christus die de hel en de duivel overwon en gaf onder meer aanleiding tot het apocrief verhaal van Christus die in het voorgeborchte van de hel afdaalde om er de goede zielen te verlossen.
  16. VAN GRASEN 1614, fol. 113v.
  17. SAL 629, Clapboeck 1591, fol. 171v: Item daer Lucifer opde helle speelde met ses andere duyvels xxx st, en[de] die de ziele was iiij st.; SAL, 642, Clapboeck 1605, fol. 209v: en[de] Hans Beerbeke die siele; SAL, 644, Clapboeck 1607, fol. 201r: noch 6 duyvels ende de siele; SAL, 479, Stadsrekening 1663, fol. 46r: aen Luycefer op de hel 8 st., 7 duevels elck 9 stuy[ers], en het sielken 6 stuy[vers].; SAL, 713, Clapboeck 1680, fol. 105v: Item aen 9 duyvels op de helle ieder 4 st., aen Lucifer 6 st., aen 2 sielkens, 12 st. – Dat het hier niet om een ‘zieltje’ in het vagevuur ging, kunnen we niet alleen afleiden uit de naam helle die de wagen al sinds de 15de eeuw voerde, maar ook het feit dat er uitsluitend duivels in en rond de wagen liepen en er geen engel aanwezig was die de zielen uit het vagevuur kwam redden. Voor hen was dan ook geen verlossing meer mogelijk.
  18. SAL, 629, Clapboeck 1591, fol. 172v: Item Jaspar Coomans van phizeen totten draeck en[de] de Helle van buspoeder te maken […]; SAL, 642, Clapboeck 1605, fol. 210r: Item betaelt Symo[n] van Dycke van die fiesee[n] te make[ne] tot die helle -- 35 st.; ende Hugo va[n] Dyck die neffens die Helle ginck ende bewaerden die fiseen o[mme] datse die niet seffens v[er]doe[n] en souden – 8 st
  19. VAN GRASEN 1614, fol. 115r.
  20. SNYERS 1702, p. 79. – In dat jaar was Lucifer vergezeld van 9 duivels. SAL, 484, Stadsrekening 1682, fol. 59v: Item bet[aelt] aen Lucifeir en 9 duyvels.
  21. SAL, 719, Clapboeck 1686, fol. 109r-v.
  22. SAL, 721, Clapboeck 1698, fol. 67v en 68r.
  23. DUCASTELLE 2010, p. 14; DEKONINCK & HEERING 2025, p. 132-133.
  24. Zie voor een uitvoerige behandeling van de Ommegang van 1722: JANSSEN 2022, p. 119-144.
  25. KASG, 126/5, nota F, dl. V, C. DRYMANS, Lyra Profana, p. 285. Zie ook een 19de- of vroeg 20ste-eeuwse kopie, mogelijk van de hand van Julius Van In, met de Order van den Ommeganck der stadt Lier in het jaer 1722 die een vrijwel gelijkluidende beschrijving bevat, die vermoedelijk teruggaat op een andere bron dan Drymans. SAL, Feesten, GuFe 004: Order van den ommeganck der stadt Lier in het jaer 1722. – Anton Bergmann geeft in zijn beschrijving van de Ommegang van 1722 een onvolledige volgorde waarin de Hellewagen niet voorkomt. BERGMANN 1973, p. 363.
  26. JANSSEN 2022, p. 135.
  27. Elders, zoals bijvoorbeeld in Brussel in de 17de eeuw maar ook in andere steden, slaagden de jezuïeten erin om zowel oude tradities als de vermenging van christelijke en antieke beeldcultuur lichtjes naar hun hand te zetten en in te passen in de contrareformatorische propaganda. Zo ontstond er een verankering van symbolische, humanistische cultuur met het instituut van de KerK. DEKONINCK & HEERING 2025, p. 139-140.
  28. Zie hierover JANSSEN 2022, p. 140.
  29. SAL, 496, Stadsrekening 1698, fol. 67v-68r; SAL, 731, Clapboeck 1698, fol. 133r-v.
  30. SAL, 719, Clapboeck 1686, fol. 109r: Betarlt a 2 duijvels die neven de kerck hebben gegaen – 0 – 8; Item aen 4 wildemanne[n] die de kerck hebben geleijt – 3 – 0, en fol. 110r: Item betaelt aen Balth[azar] Wouwermans over het maecken vande wildemans cleeren ende 4 clapmutsen – 3 – 18.
  31. SAL, 719, Clapboeck 1686, fol. 109r-v.
  32. VAN BOECKEL, 1910, p. 267-268.
  33. SAL, 520, Stadsrekening 1722, fol. 90r en SAL, 755, Clapboeck 1722, fol. 149r: Aen Livinus de Bie cum suis voor leveringe van verve, lijm etca ende geschildert ende vergult te hebben eenen waegen, duijvels kleederen, koppen, stocken, vaenen ende anderssins, per accord  --  130 : -. Aan nieuwe kleren voor de duivels werd toen niet veel uitgegeven: SAL, 520, Stadsrekening 1722, fol. 85v en SAL, 755, Clapboeck 1722, fol. 144v: Aen Henrick van Divelt voor het maecken van drij duijvel cleederen per quittanci]e  -- 2 : 16. Het blijft natuurlijk mogelijk dat er kleren en andere attriburen kant-en-klaar zijn geleverd: SAL, 520, Stadsrekening 1722, fol. 86r en SAL, 755, Clapboeck 1722, fol. 145r: Aen de wed[uw]e Broché over geleverde kleederen, mantel,s mutsen, pluijmen etc[etera], per specif[icatie] et quitt[anci]e -- 168 : -.
  34. SAL, 520, Stadsrekening 1722, fol. 89v en SAL, 755, Clapboeck 1722, fol. 148v: Aen Livinus de Bie voor teeckene van eenige modellen per quitt[anci]e  --  1 : 15.
  35. SAL, 1434, Notariële protocollen van Joris Balthazar Berckmans, 1722, akte d.d. 23 mei 1722: Livinus de Bie, meesterschilder en Henrick Schillemans, meestersmid.
  36. SAL, 731, Clapboeck 1698, fol. 95v: Aen Livinus de Bie over schilderen aende nieuff speelwagens ende kemels.
  37. SAL, 731, Clapboeck 1698, fol. 94v: Aenden notaris de Bie over het maecken van eenige carmana met de liedekens voor persoonen opden Bijaert.
  38. SAL, Bibliotheca Lyrana, 908.3.0070 VLAEY. Over dit pamflet, zie JANSSEN 2022, p. 122.
  39. SAL, Bibliotheca Lyrana, 908.3.0070 VLAEY. Over deze prent, zie JANSSEN 2022, p. 121-122. – De originele koperplaat was in 1962 nog bewaard en bevond zich toen in particulier bezit in Lier. Sindsdien is elk spoor van hiervan zoek. Zie: Lier 1962, nr. 115.
  40. VAN ESSEN 1649, p. 21. Zie hierover o.m.: Sabbe 1921, p. 25 en pl. XII, afb. 15.
  41. Deze Hellewagen is ook afgebeeld op het schilderij De oude ommegang op de Meir door Alexander II Casteels dat geheel op de prent van Bouttats schijnt terug te gaan (Antwerpen, Museum aan de Stroom, inv. AV.3194.08-55).
  42. De gravure is opgenomen in BROWN 1696, tussen p. 42 en 43.
  43. Afgebeeld als een van de 24 taferelen op de niet-gedateerde volksprent Den Gendtschen ommeganck. Waarvan een exemplaar bewaard in het Fonds Van der Haeghen van de Universiteitsbibliotheek van Gent. VAN HEURCK & BOEKENOOGEN 1930, p. 168 en 170 (afb. hele volksprent); DE MEYER 1962, p. 158-160 (afb. detail). Zie ook: BRAEKMAN 1974.
  44. In 1607 bijvoorbeeld liet men maskers of duivelshoofden herstellen: SAL, 644, Clapboeck 1607, fol. 203v:  Gilliam Boone. Item de helle te lappen waer hy toe heeft gedane 2 besame (bezaan – zeil?), voerts de helle te heerscilderen ende te stofferen, noch 4 duyvels hoofden die gebroeke waere te schildere ende te lappen – 4 - 0. – Zowel voor de Ommegang van 1722 als voor vroegere ommegangen liet men regelmatig duivelskleren maken. SAL, 755, Clapboeck 1722, fol. 144v: 3 juni 1722. Aen Henrick van Divelt voor het maecken van drij duijvel cleederen per quitte – 2 : 16; Idem, fol. 145r: Aen de wede Broché over geleverde kleederen mantels mutsen pluijmen etc[etera] per sp[ecificati]e ende quit[anci]te – 168 : 0; Idem, fol. 149r: 1 februari 1723. Aen Livinus de Bie cum suis voor leveringe van verve, lijm etc[eter]a ende geschildert ende vergult te hebben eenen wagen, duijvels clederen, coppen, stocken, vaenen ender andersints, per accoort ende quitt[anci]e – 130.
  45. PUT 2018, p. 16-17.
  46. JANSSEN 2022, p. 120.
  47. Onder meer om economische redenen werd het aantal kerkelijke – vrije – feestdagen, vaak op vraag van de Provinciale Raden en steden, verminderd. De rationele hervorming van de kerkelijk agenda leidde tot een toename van het aantal werkdagen. D’HAENE 2024, p. 70-74.
  48. SAL, Algemene briefwisseling, 315, 1840.005, I/18.
  49. Beschrijving van den luisterrijken Ommegang door het stadsbestuur ingericht te Lier ter gelegenheid van het 1050jarige jubelfeest der heiligverklaring van den H. Gummarus in october 1865, Lier, [1865].
  50. Gedenkenis der Jubelfeesten van de H. Gummarus in october 1890 te Lier gevoerd. Beschrijving van den Praalstoet, Lier, 1890.
  51. MAST 1891, p. 143.
  52. Programma van den Praalstoet ingericht tot viering van den gelukkigen einduitslag van de wereldkrijg en van de bevrijding van België op maandag 23 en zondag 29 juni 1919, Lier, [1919].
  53. SAL, Documentatie Van Brempt, doos 12: Praalstoet voor de Jubelfeesten [Project J. Van In 1914 (1915)].
  54. Over deze kwestie, zie MEES, 2008, p. 112-113. In dit artikel was de verwarrende kwestie of de Dolfijn van Antwerpen nu wel of niet aanwezig is geweest in 1928 en een mogelijk in Lier gemaakte dolfijn nog niet duidelijk en gingen we er – verkeerdelijk – van uit dat de wagen die het Hellemonster uitbeeldde al in 1928 zou zijn gemaakt en een dolfijn (of walvis) voorstelde. Ook was ons nog niet bekend dat de Dolfijn van Antwerpen in de tweede uitgang uiteindelijk wél aanwezig zou zijn.
  55. VAN IN 1928, tussen p. 16 en 17. Ook A.O. Vermeiren had de prent in hetzelfde jaar al afgebeeld. Zie VERMEIREN 1928, p. 55.
  56. Zie onder meer CEULEMANS 2010, p. 149. MEES 2008, p. 112-113.
  57. Ons Lier, 16, nr. 25, 22 juni 1930; Lier! Plezier. Nieuws- en Aankondigingsblad voor Middenstanders en Burgerij, nr. 18, 22 juni 1930; Le Matin, 18 juni 1930; De Standaard, 24 juni 1930
  58. Ons Lier, 16; nr. 27, 6 juni 1930.
  59. Het Laatste Nieuws, 26 juni 1930.
  60. Het Handelsblad, 7 juli 1930. Ook in andere verslagen blijft het doodstil over het Hellemonster. De Morgendpost, 7 juli 1930; Ons land in woord en beeld, 13, nr. 16, 19 juli 1930.
  61. Schets Ommeganck 1940, mei 1939, typoscript, Lier, privéverzameling.
  62. Toch bleek de oude naam niet helemaal vergeten. In een artikel over de Lierse Reuzentrein in de aanloop naar de stoet van 1952 nam Frans Verstreken, naast een korte historische schets van de Lierse Reuzentrein ook een opsomming op van de figuren van de Ommegang zelf, waaronder de Hellewagen. VERSTREKEN, 1952, p. 607.
  63. Het kindje dat vanop zijn stoeltje boven op de kop de omstanders nat spoot, zorgde steeds voor ludieke spanning. Het spuiten leidde en leidt nog steeds tot hilarische taferelen bij het publiek dat er zich vaak al van tevoren met paraplu’s tegen gewapend had. Het werd mogelijk gemaakt door een intern waterreservoir met pomp.
  64. Voor de datering van de hiernavolgende foto’s hebben we ons grotendeels gebaseerd op de gegevens van de Erfgoedbank. Het was evenwel niet mogelijk alle foto’s nauwkeurig en kritisch te onderzoeken, zodat bij een aantal ervan enige twijfel over de precieze datering blijft bestaan.
  65. Concrete aanwijzingen voor een stoet, optocht of Ommegang in dat jaar konden we vooralsnog, afgezien van enkele foto’s op de beeldbank, niet vinden. In de programmabrochure van de feestelijkheden ontbreekt elke verwijzing naar een Ommegang of stoet.
  66. De duiveltjes lopen niet alleen rond de wagen, maar kunnen via de grote rode openstaande muil in het inwendige van het monster verdwijnen en komen er via een ingebouwde glijbaan langs de achterkant weer uit.
  67. Stadsmuseum, inventarisnummer B2819.01: set van 15 marotten in textiel met een narren- of duivelshoofd op stok met dito muts met belletjes aan de drie punten en linten met belletjes aan de kraag. – Opmerking: de pakken voor de duiveltjes worden tegenwoordig gehuurd.
  68. Zo bijvoorbeeld tijdens de tentoonstelling Lie(r)ver Groot in in het voormalige Timmermans-Opsomerhuis in 2014 waar de wagen de Walvis werd genoemd en inderdaad niet geheel onlogisch gerefereerd werd aan het verhaal van Jonas en de walvis. N.N. 2014: Walvis.
  69. Voorbeelden heirvan zijn te vinden op https://collecties.kempenserfgoed.be/ (op trefwoord: Dolfijn of Walvis). Volgens sommigen zou de Lierse dolfijn of walvis afgekeken zijn van die van Dendermonde. Zie: VAN GELDER 1994, p. 86. – In Dendermonde komt inderdaad al sedert 1711 een walvis in de Ommegang voor. Ook hier zat in de 19de eeuw een vrij jonge Neptunus met drietand op die de toeschouwers natspoot. Zie STROOBANTS 1999, p. 238-243.
Literatuuropgave

Archief

Lier, Archief (SAL)

  • 450, Stadsrekening 1475-147
  • 451, Stadsrekening 1482-1483
  • 456, Stadsrekening (Kladboek) 1523-1524
  • 479, Stadsrekening 1663
  • 484, Stadsrekening 1682
  • 496, Stadsrekening 1698
  • 520, Stadsrekening 1722
  • 597, Clapboeck 1508-1509
  • 604, Clapboeck 1554
  • 606, Clapboeck 1556
  • 607, Clapboeck 1557
  • 608, Clapboeck 1558
  • 609, Clapboeck 1559
  • 610, Clapboeck 1560
  • 611, Clapboeck 1568
  • 612, Clapboeck 1569
  • 629, Clapboeck 1591
  • 642, Clapboeck 1605
  • 644, Clapboeck 1607
  • 713, Clapboeck 1680
  • 719, Clapboeck 1686
  • 721, Clapboeck 1698
  • 731, Clapboeck 1698
  • 755, Clapboeck 1722
  • 1434, Notariële protocollen van Joris Balthazar Berckmans, 1722
  • Algemene briefwisseling, 1840. I/188, Feestelijkheden
  • Algemene briefwisseling, 1915. I/188, Feestelijkheden
  • Feesten, GuFe 00

Bibliotheca Lyrana

  • 908.3.0070 VLAEY: N.N., t’Samen-spraake tusschen Hans Vlaey en Piet Bult-Sack ten opsichte van’t schaaps, lams, rams, sweesers Omme-ganck,verbeeldendemet extra ordinaris laweyt, het wyt roem-ruchtig spreeck-woort De lanâ caprina, dat is, die mijn hair kliefd’ gheene vreught liefd, Antwerpen, 1722
  • 908.3.0070 VLAEY: De Lierse Ommegang van 1722, ets

Lier, Kerkarchief Sint-Gummarus (KASG)

  • 126/5, nota F, dl. V, C. DRYMANS, Lyra Profana, 4de kwart 18de eeuw

Privéverzameling, Lier

SNYERS 1702
SNYERS J., Opcompste, voortganck ende antiquiteijten der Gulde genoempt De Groijenden Boom binnen de stadt Liere, [kopie door L. Van Boeckel van een verloren gegaan handschrift, 2 dln.], [1702]

Schets Ommeganck 1940, mei 1939, typoscript

Gedrukte bronnen

BROWN 1696
BROWN E., Naauwkeurige en gedenkwaardige reysen van Edward Brown M. Dr, […] door Nederland, Duytsland, Hongaryen, Servien, Bulgarien, Macedonien, Thessalien, Oostenr[yck], Stierm[arken], Carinthien, Carusole, Friuli, enz. […] uyt het Engels vertaalt door den heere Jacob Leeuwe Dirkx, Amsterdam, 1696

VAN ESSEN 1649
VAN ESSEN C., Antwerpsche omme-gangh oft lust-triumphe: verthoonende het oudt wel-vaeren deser hoogh-loffelijcker vermaerde stadt [...] door den ingaenden vrede [...] anno 1648, Antwerpen, by Jacob van Ghelen, 1649

Ons Lier, 16, nr. 25, 22 juni 1930; 16; nr. 27, 6 juni 1930

Lier! Plezier. Nieuws- en Aankondigingsblad voor Middenstanders en Burgerij, nr. 18, 22 juni 1930

Le Matin, 18 juni 1930

De Standaard, 24 juni 1930

Het Laatste Nieuws, 26 juni 1930

Het Handelsblad, 7 juli 1930

De Morgendpost, 7 juli 1930

Ons Land in woord en beeld, 13, nr. 16, 19 juli 1930

Literatuur

BRAEKMAN 1974
BRAEKMAN W.L., Betekenis en datering van de volksprent (houtsnede) ‘Den Gendtschen ommeganck’, Gent, 1974

CEULEMANS 2010
CEULEMANS L., Bernard Janssens (1887-1976), Lier, 2010

D’HAENE 2024
D’HAENE E., De triomf van de kermis in de Spaanse en Oostenrijkse Nederlanden (onuitgegeven masterproef KULeuven), Leuven, 2024

DE MEYER 1962
DE MEYER M., De volks- en kinderprent in de Nederlanden van de 15de tot de 20ste eeuw, Antwerpen-Amsterdam, 1962

DEKONINCK & HEERING 2025
DEKONINCK R. en HEERING C., ‘La fête jésuite, entre sacré et profane’, in: Fètes et célébrations flamandes. Brueghel, Rubens, Jordaens …, Rijsel, 2025, p. 131-157

DUCASTELLE 2010
Ducastelle J.P., ‘Uit de processie gestapt: zes eeuwen reuzengeschiedenis’, in: Openbaar Kunstbezit Vlaanderen, 48, 2010, nr. 2: Thema: Keer weer om. Zes eeuwen reuzen en ommegangen, p. 2-19

JANSSEN 2022
JANSSEN N., ‘Met soo veel luyster, pracht, ende heerlyckgheydt. De Lierse Ommegang van 1722’, in: Zwierige reuzen in de 18dé eeuw en de Lierse Ommegang van 1722. Acta colloquium, Lier, 8 oktober 2022, o.l.v. J. Verberckmoes, Lier, 2022; p. 119-144

LENS 1974
LENS A., ‘De oude Lierse Ommegang’, in: De Autotoerist, 27, nr. 19, 26 september 1974, p. 980-983

Lier 1962
Lyrana. Een stedelijk-historisch portret (tentoonstellingscatalogus), Lier, 1962

MAST 1891
MAST E., ‘Reuzenfeesten. Praalstoet te Lier’, in: Dietsche Warande, n.r., 4, 1891, p. 137-144

MEES 2008
MEES M., ‘De Pallieter- en Folkloristieken Plechtigen Ommeganck’, in: Lierke Plezierke. Jaarboek 36 van het Felix Timmermansgenootschap, 2008, p. 7-124

MEURANT 1972
MEURANT R., ‘De voorstelling van de duivel in processies en stoeten’, in: Tijdschrift van het Gemeentekrediet van België, 26; nr. 101, juli 1972, p. 153-164
(ook verschenen in de Franstalige editie van dit tijdschrift en in R. Meurant, Géants processionnels et de cortège en Europe, en Belgique, en Wallonie, Brussel, 1979, p. 295-315)

PUT 2018
PUT E., Stoet van grote en kleine levens. De Leuvense Ommegang van 1594, Amsterdam, 2018

SABBE 1921
SABBE M., ‘De Antwerpse Ommegang’, in: Elseviers geïllustreerd maandschrift, 31, dl. LXI, 1921, p. 17-28

STROOBANTS 1999
STROOBANTS A., ‘Bewaard gebleven profane attributen van de Dendermondse ommegang,’ in: Gedenkschriften van de Oudheidkundige Kring van het Land van Dendermonde, 4de reeks, dl. 18, 1999, p. 159-269

VAN BOECKEL 1910
Van Boeckel L., ‘Cornelius De Bie. Zijn leven en zijne werken’, in: Lyrana, 2, Lier, 1910, p. 255-275, 283-294 en 211-327

VAN BOHEEMEN 1994
VAN BOHEEMEN P., ‘De kaken van de hel. Het beeld van de hellemuil in de Nederlandse kunst’, in: P. van Boheemen en P. Dries, Duivelsbeelden en demonen. De duivel in de Nederlandse beeldcultuur, Utrecht, 1994, p. 59-73

VAN GELDER 1994
VAN GELDER W., ’t Groot volk van Lier… Onze reuzen, Lier, 1994

VAN GRASEN 2014
Gedenkwaardige memorie van Lier. De oudste stadsbeschrijving van Lier uit 1614 door Richalt van Grasen, (redactie M. Mees, m.m.v. G. Andries, L. Coenen, L. Franquet, F. Tibax en A. Van den Broeck), Lier, 2014

VAN HEURCK & BOEKENOOGEN 1930
VAN HEURCK E. & BOEKENOOGEN G.J., L'Imagerie populaire des Pays-Bas. Belgique-Hollande, Parijs, 1930

VAN IN 1928
VAN IN J., De Liersche Reus en zijn gevolg. Geschiedkundige aanteekeningen, Foto’s Bernard Janssens, Lier, 1928 (Ook als niet geïllustreerde uitgave verschenen onder de titel De Reuzenfamilie van Pallieter, Lier, 1928)

VERMEIREN 1911
VERMEIREN A.O., ‘Openbare feesten onzer voorouders’, in: Lyrana, 3, 1911, p. 128-137, 160-166, 169-179, 210-220, 231-240

VERMEIREN 1928
VERMEIREN A.O., ‘De oude Liersche Ommegang’, in: Lier, vroeger en nu. Maandblad voor plaatselijke kunst en geschiedenis, 1, 1928, p. 34-39 en 55-60

VERSTREKEN 1952
VERSTREKEN F., ‘De Lierse Reuzentrein’, in: De Autotoerist, 5, 1952, p. 606-608 (ook verschenen in ‘De Toerist’, 31, 1952, p. 356-358)

N.N. 2014
Lier vergroot. Reuzenerfgoed onder de loep, tentoonstelling Timmermans-Opsomerhuis 2014 [niet uitgegeven didactische brochure bij de tentoonstelling]


Voor de gegevens uit de Ommegangen en praalstoeten uit de 19de en 20ste eeuw hebben we gebruik gemaakt van de volgende brochures en programmaboekjes (in chronologische volgorde). De titels hebben we niet expliciet opgenomen in de tekst of in de voetnoten.

Beschrijving van den luisterrijken Ommegang door het stadsbestuur ingericht te Lier ter gelegenheid van het 1050jarige jubelfeest der heiligverklaring van den H. Gummarus in october 1865, Lier, [1865]

Gedenkenis der Jubelfeesten van de H. Gummarus in october 1890 te Lier gevoerd. Beschrijving van den Praalstoet, Lier, 1890

Programma van den Praalstoet ingericht tot viering van den gelukkigen einduitslag van de wereldkrijg en van de bevrijding van België op maandag 23 en zondag 29 juni 1919, Lier, [1919]

Lier-Kermis, juni 1928. Pallieterstoet. Officieel Feestprogramma

Lierke Plezierke. Beschrijving door Felix Timmermans van den Folkloristischen Stoet die de stad zal rond gaan, ter gelegenheid van het vijftigjarig huwelijksfeest Van Peborgh-Verstraeten, gevierd door de De Heyderstraat en Klein Venetië te Lier, op 11 en 17 juni, met medewerking van ’t Stadsbestuur, [Lier, 1928]

Lierse Sier en Zwier. Praalstoet van 6 augustus 1950

Lierse Sier en Zwier. Praalstoet van 6 juli 1952

Jubilieum-cavalcade ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de Zimmertoren en van de 125-jarige onafhankelijkheid van België. Zondag 26 juni 1955

Stad Lier. Zimmercavalcade. Inhuldiging Wonderklok en Nieuw Toeristisch Paviljoen. Zondag 26 juni 1960

Lier 1212-1962. Kalender van de feestelijkheden 20 mei tot 22 oktober

St.-Gummarusfeesten – Lier. Leiding: Frans Van Immerseel, [Programmabrochure], [1965]

Stad Lier. Folklorestoet ‘Lierse Volksalmanak’, zondag 13 oktober 1974

Stad Lier. Zimmertorencavalcade. 21 en 28 september 1980

Stad Lier. Folklorestoet met Lierse Reuzentrein. 4 en 11 september 1988

Sint-Gummarusfeesten 1990 [Programmabrochure]

Gummarusfeesten Lier. Programmabrochure 2015

Ommegang Lier. Programmabrochure. 2 – 9 oktober 2022

Meer artikels

Alle artikels